Wetje pakt scholen hun sportveld af

De overheid gaat soms verdacht voortvarend te werk, zeker als zij geld nodig heeft.

Allerlei kunstgrepen worden toegepast om dat geld te genereren, zoals vervroegde inning van belastingen, het afstoten van staatsaandelen en de verkoop van schoolgebouwen aan het HBO. De jongste variant, dit keer bedacht op het ministerie van onderwijs, is de gedwongen verkoop van sportterreinen van 250 à 300 scholen voor voortgezet- en beroepsonderwijs. De operatie verdient staatsrechtelijk gezien geen schoonheidsprijs, al heeft het departement wel de koninklijke weg gekozen in de vorm van een tijdelijke wet. Het wetsontwerp werd echter pas in juni 1993 bij de Staten-Generaal ingediend, terwijl de opbrengst diende ter verlichting van de begroting van 1993.

Ook gelegenheidswetjes - die hebben altijd haast - moeten door het parlement worden aangenomen. Maar vooruitlopend daarop wilde het departement alvast de beoogde zeventig miljoen gulden gaan innen. De scholen kregen het verzoek hun sportterrein te kopen tegen de waarde die het in het economisch verkeer vertegenwoordigt, dat wil zeggen een voor het departement zo hoog mogelijke opbrengst. Merkwaardigerwijze wordt niet het beduidend lagere bedrag dat Onderwijs indertijd als subsidie voor het sportterrein beschikbaar stelde, gehanteerd. Dat zou logisch zijn, omdat het sportterrein niet aan zijn onderwijsbestemming wordt onttrokken. Kan of wil de school het terrein niet kopen dan moet het 'om niet' aan het departement worden aangeboden.

In de praktijk biedt het ministerie het sportterrein dan aan de gemeente of een derde (projectontwikkelaar) aan, zodat er huizen of kantoren op gebouwd kunnen worden. Deze laatste optie verdedigt het departement met het motief dat er inmiddels buiten de school volop mogelijkheden zijn om een buitensport te beoefenen.

Nadat in het hele land getaxeerd was, kregen de scholen de rekening gepresenteerd: tonnen en zelfs miljoenen per sportveld. Als een school dit soort bedragen niet op tafel kan leggen moet ze maar gaan lenen, meent de minister. Als het sportterrein aan een projectontwikkelaar moet worden verkocht en de school geen sportveld in de buurt kan huren, 'dan zal zij in het vervolg moeten afzien van buitensportactiviteiten op een sportveld in het kader van het vak lichamelijke opvoeding', aldus het laconieke antwoord van het departement dat met de zorg voor het aanbod en de kwaliteit van het onderwijs is belast.

In ieder geval liet de minister tegenover de Tweede Kamer blijken niet te weten hoe het beleid in de praktijk zou uitvallen. Inzicht in de financiële draagkracht van de scholen die gedwongen worden het eigen sportveld te kopen of er afstand van te doen, heeft hij niet. Het voortvarende departement waande zich echter gedekt omdat de Tweede Kamer al een deal met de bewindsman had gesloten, al realiseerde men zich - zoals de VVD-fractie het uitdrukte - dat het hier ging om 'een doodgewone bezuinigingsmaatregel, waardoor de condities waaronder in ons land onderwijs in de lichamelijke opvoeding moet worden gegeven, opnieuw moeilijker worden'. De opbrengst dient namelijk 'eenmalig voor de budgettaire problematiek van de O&W-begroting.'

Het schrappen van de verkoop zou de Kamer verplichten tot het aanwijzen van een alternatieve financiering, omdat de vermeende opbrengst al in 1993 was uitgegeven! De operatie moet nu overigens in 1994 plaatsvinden.

Doch ook zonder Kaland fronst nu de Eerste Kamer de wenkbrauwen over zoveel voortvarendheid en staatsrechtelijke slordigheid. Is de Tweede Kamer uiteindelijk over de vele gelegenheidsargumenten van O&W heengestapt, de senaat komt met fundamentele bezwaren. Zo tilt hij zwaar aan het opzij schuiven van art. 101 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs dat de school juist rechtsbescherming tegenover de overheid biedt teneinde haar eigendom (dus ook een sportterrein) voor onderwijsdoeleinden te kunnen blijven gebruiken.

Verder willen de senatoren weten hoe het is te rijmen dat de scholen plotseling via een gelegenheidswetje een claim tot betaling krijgen op straffe van onteigening, zonder dat die schoolbesturen in het laatste geval weten wat de consequenties zijn voor de onderwijsvoorziening. Onteigening kan overigens volgens de Onderwijswet (art. 101) alleen plaatsvinden als een school een bepaalde zaak aan haar onderwijsbestemming onttrekt!

Tenslotte vindt de Eerste Kamer het voorkeursrecht van scholen om hun eigen sportterrein te mogen kopen illusoir, omdat O&W in plaats van de realistische gebruikswaarde, de economische waarde tot uitgangspunt neemt (ongeacht eventueel bestaande beperkende bestemmingsplannen en erfdienstbaarheden), zodat het uiteindelijk om grote bedragen gaat die vrijwel geen school zomaar kan opbrengen, terwijl de relatie met de (veel lagere) prijs die O&W indertijd moest betalen en daarvoor subsidie verleende, volkomen zoek is.

Ook nu weer zet de Eerste Kamer, niet gehinderd door regeerakkoorden of budgettaire afspraken met de regering, verstandige en kritische kanttekeningen bij het zoveelste beleidsvoornemen dat het kabinet uit opportunistische overwegingen er snel door wil loodsen. De overheid blijft voorlopig zoeken naar geld.

De kans dat dit beleid de norm wordt is niet denkbeeldig. Dan staan bijvoorbeeld ook bejaardenoorden en ziekenhuizen claims te wachten om hun parkeerterrein of tuin van de overheid te 'kopen' op straffe van onteigening. Morgen vergadert de Eerste Kamer zelfs plenair met minister Ritzen over dit gelegenheidswetje dat voor veel maatschappelijke instellingen wel eens het zaad van een financieel kankergezwel kan worden.