Thomas Chapin reikt fel naar de hemel in Utrechts Jazzfestival

Concerten: SJU Jazz Festival. Gehoord: 8 t/m 10 april Vredenburg, Utrecht. Herhaling: Dewey Redman Quartet 23/4 BIMhuis, Amsterdam. Radio-uitz.: Jazz Spectrum AVRO Radio 4 vanaf 13/4.

Het prachtige toucher van pianist Gonzalo Rubalcaba, de veerkracht van trombonist Jay Jay Johnson en het dieet van Thomas Chapin, daarover sprak men het afgelopen weekend tijdens het SJU Jazz Festival in de gangen van Vredenburg. En natuurlijk de 'piep' die er de oorzaak van was dat het zesde SJU Jazzfestival begon met een buitengewoon malle peep show. Het Quartet West van Charlie Haden stond vrijdag op het podium omgeven door perspex schermen, met de leider heel ver van het publiek tegen de achterwand gedrukt. Wie er in geslaagd was een stoel te bemachtigen ving van de bassist hierdoor slechts met moeite een glimp op.

De reden voor deze stolp-constructie was niet dat Haden voor een aanslag op zijn leven vreesde maar al enige tijd wordt geplaagd door een geheimzinnige piep, onaangenaam gonzend in zijn beide oren. Hij kan geen vervloeiïng van klanken verdragen om nog maar te zwijgen van veel kabaal. Dat het concert van zijn kwartet bij vlagen heel mooi was maar op geen enkel moment echte opwinding teweeg bracht, was gezien dit alles natuurlijk geen wonder.

De zeventigjarige trombonist Jay Jay Johnson deed precies wat het publiek wilde: laten horen dat hij nog steeds springlevend is. Klonk hij vroeger vaak als een virtuoze trompettist die toevallig een octaafje lager speelde, de Johnson met pensioen is een man die durft te schuiven. Zijn lage noten liggen behaaglijk languit en in de hoogte knettert zijn koper ongewoon bewogen. En zelfs na een misstap krabbelt hij kwiek weer op, bleek in Vredenburg dat hevig met hem meeleefde.

Johnson doet aan jogging; zou het daar misschien daaraan te danken zijn? Ook zijn kwintet maakte een kerngezonde indruk, zij het vooral in herinneringen aan 'toen'. Toen Horace Silver nog 'halve hits' schreef, wijlen Art Blakey in films mocht spelen en de jazz nog te boek stond als zedenbedervend. Er sprong in de volle zaal geen enkel klein knoopje, maar de bevrediging leek er desondanks niet minder om.

Saxofonist Dewey Redman (62) ex-Ornette Coleman, -Charlie Haden en -Keith Jarrett, gaf een goed concert waarvan de climax door een misverstand in het midden belandde. Een prachtig laid back gespeelde standard werd gevolgd door een lekker vette blues en daarna kon er niets mis meer gaan. De onbekende Italiaanse pianiste Rita Marcotulli volgde en leidde Redman als een doorknede 'profi', al kent ze hem pas sinds kort. Een folksy stuk op de musette en een vrolijke preek in een quasi-Afrikaanse tongval, het paste bij Redman, zoals men hem kent: grillig en onbevangen, niet te pakken met een handig trefwoord.

Voor de veel jongere Thomas Chapin geldt dat laatste minstens zo sterk. Hij is geen bebopper of avant-gardist, hij speelt geen fusion, rockjazz of hip-hop, maar trekt ongrijpbaar zijn eigen spoor. Hij is de eerste die de sopranino-saxofoon laat klinken als een volwassen instrument, speelt prachtig dwarsfluit en gebruikt zijn altsax voor het hevige werk. Messcherpe fluittonen, ongelooflijke slurs, komische wendingen en uitzinnige screams, de broodmagere Chapin - brilletje op, het haar in een paardestaart - reikt fel en uitdagend naar de hemel. Dus beginnen na afloop de speculaties: benzedrine, coke, misschien zelfs XTC? Een handvol speed of een kilozak wortelen, het is duidelijk dat Chapin vooral teert op datgene waar ook John Coltrane het van moest hebben: oefenen, oefenen, elke dag weer.

De slotavond van het festival stond in het teken van Cuba: een treurig eiland met een feestelijk mombakkes. Pianist Gonzalo Rubalcaba doet heel overtuigend wat maar weinigen kunnen: alle noten die hij aanslaat echt laten klinken, ongeacht de maatsoort of het heersende tempo. Bassist en drummer spelen spannend met hem samen, alleen de trompettist lijkt een tikje 'verdwaald'. Cuba is oud en Fidel Castro ook, maar Rabalcaba lijkt nog duizenden dagen voor zich te hebben.

Altsaxofonist en feestnummer Paquito D'Rivera doet bijna alles wat erg is. Sjoemelen met noten, langdurig ouwehoeren tussen de nummers en humbug verheffen tot grote kunst. Kreupele bebop-riedels, quasi-barok, verjazzde tango en cocktail-deunen vermengen zich tot een laffe multi-culturele soort broodpap. Een enkeling walgt ervan maar de meeste luisteraars houden het vol. Begrijpelijk, want ook het zesde SJU-Festival was weer een groot succes.