THEO OLOF OVER Stoppen met spelen

Afscheid Theo Olof: 30/4 20.15 uur Dr. Anton Philipszaal Den Haag; 1/5 15 uur Vredenburg Utrecht.

“Al een paar jaar geleden heb ik me voorgenomen dat ik zou stoppen op mijn zeventigste verjaardag. Ik geloof dat ik er verstandig aan doe op te houden voordat de mensen gaan zeggen: 'Hij moest maar eens ophouden.' Maar ik ga gewoon door met al mijn andere activiteiten. Ik zit in jury's en commissies, ik geef masterclasses orkestspel en interpretatie, en ik werk aan een boek over Tsjaikofski. Mijn viool, een François Louis Pique uit 1797, zal ik bij mijn afscheid overdragen aan het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds waarvan ik voorzitter ben. Voor mezelf hou ik een nieuw instrument van Johan Jacobs uit Middelburg, die bouwt prachtige violen. Ik verheug me er nu al op om gewoon voor mijn plezier een avondje strijkkwartet te spelen. Met gelijkgestemde vrienden en een goede fles wijn.”

Op Koninginnedag geeft Olof in Den Haag zijn officiële afscheidsconcert met het Residentie Orkest o.l.v. Jac van Steen, een programma dat op 1 mei in Utrecht wordt herhaald. Olof, geboren in Bonn, kreeg zijn eerste vioollessen van zijn moeder, debuteerde als vijfjarige en woonde sinds 1933 in Amsterdam, waar hij leerling werd van Oscar Back. In 1951, het jaar waarin Leonid Kogan winnaar werd, verwierf Olof de vierde prijs op het Koningin Elisabeth Concours in Brussel. Datzelfde jaar werd hij samen met Herman Krebbers concertmeester van het Residentie Orkest. Van 1974 tot 1985 was Olof concertmeester van het Concertgebouworkest, deels ook samen met Krebbers, die moest stoppen met spelen nadat zijn arm uit de kom was geschoten toen hij uit het water van het IJsselmeer werd getrokken. Als solist gaf Olof in ons land talloze premières van vioolconcerten van ondermeer Britten, Van Hemel en Maderna.

“Bij mijn afscheid speel ik het Dubbelconcert van Bach, nu eens niet met Herman Krebbers maar met Jaring Walta, mijn opvolger bij het Residentie Orkest. Daarna eindig ik met het Vioolconcert van Tsjaikofski. En dankzij Willem Duys zal ik op 5 mei, mijn echte verjaardag, in het Franse Beaulieux nog één keer samen met Herman Krebbers optreden. Wat we dan spelen is nog geheim. Misschien wel het speciaal voor ons geschreven Dubbelconcert van Henk Badings, dat ik samen met het Vioolconcert en de Solosonate van Bartók reken tot de mooiste composities van de 20ste eeuw.

“Een van de wonderlijke eigenschappen van muziek is dat het altijd weer anders klinkt. Als ik nu luister naar onze eerste opname van Bachs Dubbelconcert, kan ik mijn oren bijna niet geloven. We speelden het helemaal in de stijl van Oscar Back, enorm romantisch met veel glissandi en kleuren op de g-snaar, en onder invloed van Van Otterloo kozen we vreselijk langzame tempi. Met de komst van Harnoncourt is er wat dat betreft veel veranderd, ongemerkt ga je daar toch in mee. Ik ben geen aanhanger van de authentieke muziekpraktijk, maar ook bij mij is Bach met de jaren sneller en soberder gaan klinken.

“Zolang de muziek maar blijft 'zingen' en alle noten hoorbaar zijn, is dat zeker geen achteruitgang. Zingen is voor mij de essentie van de muziek, daar begint alles mee. Daarom hoop ik maar dat het zingen weer een vast onderdeel van ons onderwijs zal worden, liefst al vanaf de kleuterschool. Alleen dan gaan we in Nederland een gelukkige toekomst tegemoet, want muziek is een van de mooiste verworvenheden van de mensheid.”

    • Wenneke Savenije