Slingerbeweging in de muziek brengt Robert Heppener terug in de belangstelling; 'Na de seriële dictatuur is de vrijheid weer terug'

Cappela Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss zingt werken van Sweelinck en Heppener: 15/4 Utrecht; 16/4 Maastricht; 17/4 Arnhem; 22/4 Den Haag; 24/4 Almelo.

Robert Heppener schrijft graag vocale muziek. Op bewogen momenten in zijn leven, componeerde hij het liefst muziek voor de menselijke stem, zegt hij. Het heeft te maken met zijn behoefte zich zo natuurlijk mogelijk uit te drukken. En is de stem niet het natuurlijkste instrument dat we hebben? Tijdens het componeren zingt hij hardop, altijd. “Ik heb vaak keelpijn als ik aan het werk ben, alsof ik een zware roker ben. Muziek is een lichamelijke kunst. Een groot majeurakkoord na een ingewikkelde dissonerende cadens voel je als een lijfelijke ontspanning.”

Voor zijn koorwerk Im Gestein (1992) op tekst van Paul Celan ontving de nu 68-jarige Heppener vorig jaar de Matthijs Vermeulenprijs. Het thema 'gesteente' hield hem al langer bezig. “Ik wilde een stuk schrijven over de puurheid van steen, rotsen, bergen. In de poëzie van Celan, een schitterende dichter van wie ik graag teksten op muziek zet, is de stenen bergwereld een beeld voor het verlies van zijn moeder in een Duits vernietigingskamp. Steen roept bij Celan merkwaardige associaties op. Als het geraamte van een kadaver is versteend, dan zijn de stank en het vieze verdwenen. Een gevoel kan ook verstenen.”

Im Gestein is een van de drie koorwerken van Heppener die door Cappella Amsterdam gezongen zullen worden tijdens een tournee door Nederland die vrijdag in Utrecht begint. Het koor, dat wordt geleid door Daniel Reuss, zal ook Bruchstücke eines alten Textes (1990) en Nachklänge (1977) uitvoeren. Op het programma staan behalve de stukken van Heppener enkele koorwerken van Sweelinck. Cappella Amsterdam is van oorsprong een renaissancekoor, maar voert tegenwoordig ook modern repertoire uit.

Voor Nachklänge gebruikte Heppener ook een tekst van Celan. Bij het gedicht ziet hij een meertje in een dennenbos voor zich. “Af en toe klinken stemmen uit het groen. Een ijsvogel duikt in het water waardoor het spiegelbeeld versplintert om even later in een nieuw beeld tot rust te komen.”

Nachklänge is een onmiskenbaar romantisch stuk. De titel is een verwijzing naar de langzaam wegstervende klankrimpelingen die volgen op een wisselspel van uitroepen en echo's. Het zestienstemmige koor is gesplitst in vier groepen die op verschillende plaatsen staan. Het is muziek waarin je de ruimte moet kunnen horen, zegt Heppener. In de partituur verwerkte hij, voor een deel onbewust, herinneringen aan zijn jeugd in Amsterdam. “Als je 's avonds in bed lag, hoorde je roepen op straat, een mosselkoopman in de verte, geluiden die er niet meer zijn.”

De nu in Vijlen bij Vaals wonenede Robert Heppener is een generatiegenoot van componisten als Ton de Leeuw, Jaap Geraedts, Sas Bunge en Jurriaan Andriessen. Ze werden 1925 geboren en kwamen naar voren in het eerste naoorlogse decennium. Uit de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog herinnert Heppener zich vooral het overweldigende gevoel van vrijheid. Gedreven vertelt hij over de explosie van nieuwe ontwikkelingen in die tijd. “Picasso, Matisse en Mondriaan waren te zien in Amsterdam, de Weense kunstschatten kwamen naar Nederland en je kon weer luisteren naar joodse componisten als Mahler en Milhaud.”

Heppener nam les bij Bertus van Lier en zijn muziek werd al snel veel gespeeld. De eerste Nederlandse compositie die de jonge Bernard Haitink met het Concertgebouworkest uitvoerde, was Heppeners Symphonie uit 1952. Zijn doorbraak kwam met Cantico delle Creature di San Francesco d'Assisi voor sopraan, harp en strijkorkest uit hetzelfde jaar. Later schreef Heppener muziek bij films van Fernhout, Haanstra en Weisz, onder andere voor Het gangstermeisje. In de muziek van Heppener zijn moderne compositie- en uitdrukkingstechnieken geen doel op zich, maar een zeer persoonlijke, intieme uitdrukking van zijn haast instinctieve muzikaliteit. Heppener bewondert de jeugdwerken van Mendelssohn en realiseerde zich dat hij musicus wilde worden toen hij op zijn dertiende Mozart ontdekte.

Heppeners onvermogen om muziek uitsluitend langs verstandelijke weg te benaderen, bracht hem in verlegenheid toen het serialisme - een compositietechniek waarin dynamiek, toonhoogte, ritme en klankkleur in vooraf vastgestelde reeksen worden geordend - in de loop van de jaren vijftig uitgroeide tot een dogma. “Er waren grote mensen die stelden: alles wat niet serieel is, is slechte muziek. Het was een dictatuur waaraan je je niet kon onttrekken. Dat is gelukkig veranderd. De vrijheid is weer terug. Het muziekleven is opener. Je hoort nu extremen als Górecki en Ferneyhough, die van verschillende planeten lijken te komen.”

In zijn functie als bestuurslid van het Genootschap van Nederlandse Componisten raakte Heppener in de jaren zestig betrokken bij een conflict rond de acties van de Notenkrakers, die ijverden voor meer aandacht van het Concertgebouworkest voor avant-garde muziek. Het bestuur van het genootschap had zich gedistantieerd van de verstoring van een concert van Bernard Haitink in het Concertgebouw en dat was actievoerende jongeren als Peter Schat, Reinbert de Leeuw en Misha Mengelberg in het verkeerde keelgat geschoten. Ze hebben het GeNeCo verlaten. Later zijn ze teruggekeerd.

Heppener nu: “We zijn er ingetuind. Het was een opzetje om het genootschap te laten ontploffen omdat er teveel ouderen inzaten. Achteraf was het toch vooral een jongensboekavontuur, die hele Notenkrakers-episode. Maar het Genootschap is erdoor toch wel verjong en verbeterd.”

Lange tijd bevond Heppener zich naar eigen zeggen 'aan de zijlijn', maar de laatste jaren wordt zijn muziek weer meer gespeeld. “Het lijkt wel of de zijlijn weer het middenveld is geworden. Er is in de muzikale voorkeuren sprake van een slingerbeweging, Dat zie je ook bij voorbeeld bij de Groupe des Six: in de jaren dertig waren zij populair en Webern niet, na de oorlog draaide dat om.”

De belangstelling voor Heppeners muziek is inderdaad groeiend. In 1989 ging Boog in première, geschreven voor het jubilerende Koninklijk Concertgebouworkest. Onlangs bracht het Nieuw Ensemble een programma rond Heppener en de door Heppener bewonderde Franse 15de eeuwse componist Dufay, aan wie hij als een hommage een aantal bewerkingen maakte.

Op dit moment werkt Hepperner aan een opera naar een roman van de Oostenrijkse joodse schrijver Jakov Lind, die in 1996 tijdens het Holland Festival in première moet gaan. Het Nieuw Ensemble gaat onder zijn vriend en oud-leerling Ed Spanjaard de muziek uitvoeren.

Al in 1967 voorspelde Wouter Paap in het muziektijdschrift Mens en Melodie dat Heppener “zijn dramatische aanleg ooit op het gebied van opera tot uiting zou willen brengen”. En inderdaad, hij zocht zijn leven lang naar een geschikt verhaal. Nu hij het heeft gevonden, werkt Heppener harder dan ooit. Over de inhoud en de muziek zwijgt hij. “Ik wil mezelf niet vastleggen door voorbarige uitspraken. Wat ik wel kwijt wil, is dat de stem van de hoofdpersoon een sleutelrol vervult in het libretto.”

    • Peter Peters