Rebellen plunderen Afghaans Nationaal Museum

De factiestrijd in Kabul heeft niet alleen duizenden mensenlevens geëist maar ook zware schade toegebracht aan het Afghaanse culturele erfgoed. De rijke collectie van het Nationale Museum is geplunderd en dreigt nu her en der te worden verhandeld.

KABUL, 11 APRIL. Terwijl een assistent bijlicht met een gaslamp, graait Najibullah Popal tussen de watten in een opengebroken kist. “Ook weer helemaal leeg”, stelt de onderdirecteur van het Nationale Museum van Afghanistan in Kabul mistroostig vast. “De dieven hebben alles meegenomen.”

Met drie medewerkers is Popal al enkele weken bezig in de ijskoude en donkere opbergruimtes van het museum de balans op te maken van een van de grootste kunstroven uit de geschiedenis. Popal schat dat 80 procent van de collectie is gestolen: “Ze hebben op hun gemak de kostbaarste dingen uitgezocht, alleen de minder waardevolle of lastig te vervoeren objecten zijn achtergebleven.”

Het museumgebouw, waarin Popal al 22 jaar werkt, is zwaar gehavend door de frequente gevechten die deze zuidwestelijke voorstad van Kabul de afgelopen twee jaar hebben geteisterd. Van de tweede verdieping, waar de meeste voorwerpen waren tentoongesteld, is vrijwel niets meer over. Er hippen nu mussen rond en wie omhoog kijkt, ziet de blauwe hemel. Op de grond liggen nog de half verkoolde resten van enkele tapijten.

Met het oog op de verslechterende toestand in Kabul hadden Popal en de zijnen de collectie tijdig in opslagruimtes op de begane grond ondergebracht. Alleen enkele fresco's uit de vierde eeuw konden niet worden gered. De verzameling doorstond het wapengekletter zonder schade. Tegen de mujahedeen zelf, de vrijheidsstrijders van weleer die zich sinds de val van het communisme in 1992 tot een gesel van het land hebben ontwikkeld, was ze echter niet opgewassen. Zonder moeite verschaften die zich toegang tot de berging en sloegen hun slag.

Wie de daders precies zijn, staat niet vast. Het museum is de afgelopen maanden in handen geweest van verschillende facties. Aanvankelijk controleerden strijders van president Burhanuddin Rabbani het terrein, maar die moesten dit later prijsgeven aan de shi'itische groep Hizb-i-Wahdat. Beide partijen beschuldigen elkaar er nu van het museum te hebben geplunderd. Ook Popal, die door de gevechten maandenlang geen toegang had tot het museum, zegt niet te weten wie de daders zijn.

Vooral dank zij enkele spectaculaire archeologische vondsten van na de Tweede Wereldoorlog wierp de collectie van het Nationale Museum een uniek licht op de rijke geschiedenis van het gebied dat thans Afghanistan heet. Al duizenden jaren vormt het land een belangrijke verbindingsroute voor kooplui en legers van Europa en het Midden-Oosten naar Oost- en Zuid-Azië.

In het museum waren hiervan de sporen in overvloed te vinden. Vooral de erfenis van de periode rond het begin van de jaartelling was rijk. Prachtig glaswerk, dat vermoedelijk uit Alexandrië afkomstig was en grote aantallen fraaie zogeheten Grieks-Bactrische munten uit de Hellenistische periode. Afghanistan onderging echter ook invloeden uit het oosten. Eeuwenlang was het boeddhisme in grote delen van het land de overheersende godsdienst, terwijl het hindoeïsme eveneens een voorname rol speelde. In de zevende en achtste eeuw arriveerde de islam die tot de dag van vandaag is blijven domineren.

Deze cultuurschatten zijn nu grotendeels verdwenen. Al jaren is bovendien niets meer vernomen van een schitterende verzameling Bactrische gouden voorwerpen van rond het begin van de jaartelling, die kort voor de Sovjet-inval in december 1979 werd gevonden. Velen wezen daarna met de beschuldigende vinger naar de Russen maar die hebben altijd hardnekkig ontkend te weten waar de schat is gebleven.

Tot de zwaarst getroffen verzamelingen behoort de muntenafdeling. Popal laat zien hoe de laden stelselmatig zijn geleegd. Van de 35.000 munten zijn er tot dusverre slechts een handvol teruggevonden. “Het was een van de mooiste numismatische collecties ter wereld”, aldus Popal.

In de Pakistaanse stad Peshawar oordeelt de Amerikaanse Nancy Hatch Dupree, die in de jaren zeventig mede-auteur was van een gids voor het museum van Kabul, dat vooral de Bactrische munten uit de Hellenistische tijd, het Alexandrijnse glaswerk en de schat van Bactrisch goud een volstrekt onvervangbaar deel vormde van 's werelds cultuurbezit.

Popal is het daarmee niet geheel eens. “Elk voorwerp in het museum had zijn eigen waarde, elk stuk belichaamde een bepaald aspect van ons verleden. Die culturele erfenis is nu geplunderd. Het is tragisch.”

Wat er verder gebeurt met de geplunderde voorwerpen, is nog onduidelijk. Hier en daar duiken er munten en beelden op, waarvan kan worden aangenomen dat ze uit Kabul afkomstig zijn. In de bazaars van Peshawar zijn enkele Bactrische munten gesignaleerd. Het is echter vaak moeilijk met zekerheid te zeggen of iets uit Kabul komt, omdat de lijsten van eigendommen van het museum deels in vlammen zijn opgegaan. Popal neemt aan dat de meeste geplunderde voorwerpen zich nog steeds in Afghanistan zelf bevinden.

Ook zijn er opportunistische lieden die met vermeende voorwerpen uit Kabul komen en daarvoor veel geld vragen, terwijl het in werkelijkheid om vervalsingen gaat. “Gisteren nog kwam er een man bij me, die beweerde dat hij een reeks beeldjes uit Kabul had gezien”, vertelt Dupree. “Op de foto's kon ik meteen zien, dat het om vervalsingen ging. Ze hadden zelfs niet de moeite genomen de dingen een tijdje onder de grond te begraven.”

Behalve in Kabul worden ook op veel andere plaatsen in Afghanistan kunstschatten geroofd. Het museum van de oostelijke stad Jalalabad is eveneens geplunderd, terwijl er uit het oosten ook berichten komen dat verscheidene plaatsen met boeddhistische overblijfselen door of met instemming van lokale mujahedeen zijn geplunderd. Nancy Dupree weet dat in de plaats Khost, in de provincie Paktia, zelfs een wekelijkse bazaar voor antiek wordt gehouden dat grotendeels is gestolen.

Intussen ploeteren Popal en zijn mannen verder met de inventarisatie van de restanten van de collectie in het Nationale Museum. Ze doen dat onder moeilijke omstandigheden. Niet alleen ontbreekt er verwarming en verlichting op de benedenverdieping, ook kunnen ze slechts rekenen op een minimaal salarisje voor hun inspanningen. “Als het zo doorgaat”, zegt Popal, “gaan mijn medewerkers binnenkort op zoek naar ander werk. Zelf moet ik trouwens ook aan mijn gezin denken, nu de voedselprijzen almaar blijven stijgen.” Sommigen zijn al eerder vertrokken. Het hoofd van de islamitische afdeling van het museum is uitgeweken naar Peshawar, waar hij nu groente verkoopt.

De behoefte aan hulp is groot, al erkennen alle betrokkenen dat het niet eenvoudig is te helpen, zolang er nog veelvuldig wordt gevochten in de Afghaanse hoofdstad. De enige concrete hulp die Popal tot nu toe heeft ontvangen van de buitenwereld is een geringe materiële en financiële tegemoetkoming van de VN-organisatie Habitat. Verder zoekt een groepje buitenlandse vrienden van het museum thans in Londen naar manieren waarop hulp kan worden verleend.

De meest aangewezen organisatie voor een project als dit, UNESCO, heeft het tot nu toe grotendeels laten afweten. Daden waren er nauwelijks, woorden wel. UNESCO-directeur Federico Mayor liet twee weken geleden een oproep uitgaan aan de internationale kunstwereld om geen voorwerpen uit het museum in Kabul te kopen. Eind vorige jaar bevond een UNESCO-missie zich in Pakistan op weg naar het museum van Kabul, maar toen er een nieuwe gevechtsronde uitbrak, vertrokken ze weer spoorslags naar hun bureaus in veiliger streken.

    • Floris van Straaten