Paasbroek

Pasen. Het regent geniepig. Geen eerlijke regen met volle bakken uit de lucht zoals op Goede Vrijdag, nee, vals en onophoudelijk zeurderig. Het dringt niet alleen door je kleren. Het dringt dwars door je ziel, je merg en je gebeente.

“De Heer is opgestaan”.

“In waarheid opgestaan”.

Mijn verwarming doet het niet. Eerst een gekreun en gesteun van jewelste, daarna leek het of het huis uit zijn voegen brak. Sinds hier de laatste keer een verwarmingsmeneer over de vloer is geweest, klopt er van het hele buizensysteem niets meer. Ik ben eerlijk gezegd ook even aan de slag gegaan. Ik heb immers een ontluchtingssleuteltje, maar van overtollige lucht geen sprake; er kwam alleen water uit. En nu, uitgerekend met Pasen, zit ik in de kou. Ik kan aardig koken. Dat mag iedereen navragen. Vandaag lukt er niks. Ik hou van suddervlees. Van draadjesvlees. Dat kan ik in de roomboter goed klaarmaken. Wat laurier. Wat peperkorrels en jeneverbes. Een ui en tomaat en natuurlijk nootmuskaat met een paar kruidnagels. Ik heb een petroleumstel, daar zet ik het op te sudderen. Pluf, pluf. Steeds een onregelmatig geborrel, vooral niet te haastig. Af en toe een plofje in die lekkere, donkerbruine jus. Het vlees dat ik bij mijn sudderlapslager heb gehaald, stamt van de beste Limousinkoeien die je je kunt bedenken. Na een paar uur gestoof is het vlees om te zuigen zo gaar. Vandaag heb ik uren en uren gesudderd, alleen maar taaie lappen in de pan. Vanochtend bij het paasbrood ging het met het eieren koken al mis. Een verstopte zandloper, wat ik veel en veel te laat in de gaten kreeg. De koffie liep ook niet goed door. Een aaneenschakeling van mislukkingen. Ik schil aardappelen waarvan ik weet dat een bevriend eetcolumnist ze als puur vergif afdoet, maar ik hou van kruimige Bildtstar en schuw ook geen Andijker muis. Terwijl ik ze schil en in het water gooi, kijken ze me ongekookt al glazig aan. Ik weet zeker dat mijn bloemkool beige zal worden en niet knapperig blank, dat het bloemsausje zal gaan klonteren en bijna zal aanbranden. Het toetje uit de ijskast is natuurlijk zuur of gesmolten of gisteren al door iemand anders opgegeten.

Ik denk dat ik vanavond maar weer eens helemaal alleen heel vroeg naar bed ga.

Pasen in het Groningen van mijn jeugd. Even guur als winderig. Geknakte narcissen in de schrale wind. Buiten zie ik ze al staan. De opgeschoten jongens. Brillantine in het haar. Achterop hun kop, zodat ze het zelf niet kunnen zien, een kippekontje met scheve scheiding.

Brillantine was duur. Ik smeerde soms olijfolie in mijn haar met een scheutje eau de cologne. Dat gaat aanvankelijk schiften maar na veel geschud zijn de vlokken eruit. (Pas later kreeg ik in de gaten dat je vreselijk begon te meuren als de eau de cologne vervlogen was). Vandaag is het niet alleen Pasen met notenrijgen. (Hoe ging dat nog maar?) Het is de dag van mijn eerste-echte-ware-grote-mannen-lange-broek. Geen drollenvangerij meer, geen gepof of geplusfour. Ik heb hem samen met moeder gekocht. In één keer zonder aanbetaling. Een mooie, en beetje een aparte broek met die wit-zwarte ruitjes. “Het loopt tegen de zomer”, zegt moeder, “dan past zo'n bruine niet en die blauwe met die leren riem helemaal niet”.

Nee, nee. Als je lang naar die blokjes kijkt, lijkt het wel of ze door elkaar trillen. Een en al geflakker en getril. Maar wat geeft het? Je kijkt toch niet de hele dag naar je eigen nieuwe eerste echte lange broek? In het kledingmagazijn voelde ik me niet helemaal zeker, maar hij was afgeprijsd en moeder deed een beetje onzeker in haar portemonnaie.

Ik loop ermee door de kamer. Het lijkt wel of het hele huis naar mijn broek ruikt. Zo nieuw is die. Jammer dat we hier geen grote spiegel hebben zoals in die winkel. Ik kan natuurlijk de gangspiegel op de grond zetten, maar iedereen grijnst al zo achterbaks. Nu naar buiten. Naar de jongens. Wat doet moeder daar achter het keukenraam? Wat gebeurt er? Waarom lacht iedereen me uit? Alsof het afgesproken is: “Bakkersbroek. Bakkersbroek. Bakkersbroek!”