Kasseienkoning Tchmile is één dag als Merckx

ROUBAIX, 11 APRIL. Voor het eerst sinds 1985 was het weer eens nat in de hel. Een venijnige sneeuwbui en later de kletterende regen teisterden het peloton, met bloed zweet en tranen als gevolg. De taferelen in Parijs-Roubaix riepen gisteren herinneringen op aan de jaren zeventig, toen Francesco Moser, Roger de Vlaeminck en Eddy Merckx elkaar op leven en dood bestreden in de Noordfranse topklassieker. Het enthousiaste wielervolk reageerde ook precies zo als destijds, het liet de ene superlatief op de andere volgen bij het beschrijven van de drama's en de heldendaden die zich hadden afgespeeld.

Een tamelijk onbekende, Andrei Tchmile, was de koning van de spekgladde, onbarmhartige kasseienstroken. In hun overmoedige bui vergeleken zijn supporters de 31-jarige Moldaviër na afloop prompt met “kannibaal” Merckx, de grootste renner aller tijden. De in Roubaix woonachtige Tchmile wàs ook als Merckx. Één dag ten minste, de tiende april. In de Ronde van Vlaanderen gaf hij vorige week zondag zijn visitekaartje al af met zijn derde plaats, afgelopen woensdag in Gent-Wevelgem (vierde) was hij in zijn rode Lotto-shirt niet uit de voorhoede weg te slaan en in de tweeëntachtigste uitgave van Parijs-Roubaix was hij werkelijk van uitzonderlijk hoog niveau.

Tchmile, een klasbak, toonde zijn grote moed door op vijftig kilometer van de meet alléén weg te springen. Nog meer bewondering oogstte hij daarna bij het onvergetelijke man-tegen-man-gevecht met zijn naderende naaste concurrent Johan Museeuw, toch bepaald niet de minste in wielerland. De dicht bij China geboren coureur bleef Siberisch koud onder de Belgische dreiging en had zelfs nog het lef om zijn belager te treiteren. Hij liet Museeuw op diens speciale rijwiel (met een schokbreker in de vorm van een pompje, vlak boven het kamwiel) tot op zes seconden komen, alvorens ineens extra hard op de trappers te stampen. “Museeuw is geëxplodeerd”, hoorde hij kort daarna van zijn nerveuze ploegleider Jean-Luc Vandenbroucke in de volgauto, “de weg voor de zege is vrij, van Johan heb je geen last meer.”

De acrobaat Tchmile - op zoek naar de kortste weg jakkerde hij in de slotfase zelfs even over een vluchtheuvel - was blij Museeuw een klap te kunnen toedienen. Want hij had nog een appeltje te schillen met de Vlaamse renner, van wie hij vorig seizoen bij GB-MG ploeggenoot was. Mede op aandringen van Museeuw werd Tchmile bij die sponsor weggestuurd, omdat hij zich bij het wereldkampioenschap in Oslo zou hebben misdragen. Ter herinnering, Tchmile deed namens Rusland aan het WK mee, maar de wielerbond van dat land had geen geld voor zijn reis- en verblijfskosten. GB-MG betaalde die gaarne, er op rekenend dat Tchmile zich dan wel voor Museeuw in het zweet zou rijden. In de finale ging Tchmile echter zijn eigen kans (zesde), Museeuw (vierde) aan zijn lot over latend. “Moldavië is geen provincie van België”, zou Tchmile toen nog hebben geroepen.

Op zijn zestiende begon hij met koersen, in 1989 werd Tchmile prof. De bond van de toenmalige Sovjet-Unie gaf hem dat jaar toestemming zijn geluk te zoeken bij de formatie Alfa Lum in Italië. Het land beviel hem, maar Tchmile had het moeilijk met de rijwijze, met de taktiek van de “broodfietsers”. Hij deed aanvankelijk alles verkeerd. Toch hield hij vol. “Van Alfa Lum ging hij naar het kleine team SEFB”, herinnert ploegleider Patrick Lefèvere van GB-MG zich, “toen viel hij onze Italiaanse bazen op. Dat was in 1991. Franco Ballerini wilde hem graag hebben. Tchmile is een laatbloeier, wat misschien zijn geluk is geweest. In België en Nederland zijn veel renners na hun vijfentwintigste opgebrand, Tchmile was op die leeftijd nog fit. Het laatste jaar is hij een andere renner geworden, hij is tien, vijftien procent sterker. En hij is een werker. Vraag eens aan Jelle Nijdam of Frans Maassen wat ze 's winters voor hun job doen. Ze slaan achter over als ze horen wat Tchmile er voor over heeft. Die ging bijvoorbeeld op eigen kosten veertig dagen naar Italië om te trainen.”

De ster van Tchmile rijst snel, maar wie Parijs-Roubaix goed heeft gevolgd ontdekt dat er nog twee renners waren die als winnaar niet hadden misstaan, Franco Ballerini en Gilbert Duclos-Lassalle. Het duo, bijna steeds aan het front aanwezig, kampte met grote tegenslag, Ballerini reed in de openingsfase lek, de strijdlustige Duclos-Lassalle was met nog ruim honderd kilometer te gaan het slachtoffer van een valpartij op de kinderkoppen van het beruchte Bos van Wallers. “Ik raakte de arm van een toeschouwer”, klaagde de Fransman na afloop. Teruggekeerd in de voorhoede en vol mooie plannen had het tweetal opnieuw pech. De twee reden door een niet te omzeilen plas water en stelden met een vloek vast dat hun achterband leeg liep.

Wanhopig staken beiden hun armen omhoog, om te volgers van de problemen op de hoogte te stellen. Er was echter geen materiaalwagen in de buurt. Ballerini en Duclos-Lassalle sukkelden zo op een tube zonder lucht verder, terwijl collega's hen in volle vaart voorbij snelden. Toen zich eindelijk een motor met reserve-wielen meldde, was de tandem al kansloos. Er was een gat van wel twee minuten. Op dat moment was de triomf van Tchmile al bijna veilig en begaf zich nog een kleine groep Nederlanders richting finish. In de wetenschap niet voor de hoofdprijs in aanmerking te komen, maar wel een redelijke prestatie te hebben geleverd.

Nico Verhoeven (ploeg Histor) zat lang in het voorste gelid. “Het was uiteindelijk een modderbrei”, zei hij na afloop. Drie keer had hij zijn band zien leeglopen. Twee keer was hij gevallen. En vaker nog reden de volgauto's hem in de weg. “Dat hoort erbij”, zei hij. “Je moet geluk hebben,” Zijn knieën zaten onder de modder, zijn shirt was compleet bedekt met stof en zelfs zijn tanden waren zwart van de smurrie. Verderop in de kleedkamer stond Rob Harmeling, dit jaar hersteld van aanhoudende astma-aanvallen. Aan het einde had hij nog achter Tchmile aangejaagd, tot hij door een krampaanval werd geveld en pas via extra suiker weer op verhaal kwam. Kopman Johan Capiot van TVM had hij later nog teruggebracht in de voorhoede. Toen was het met Harmeling gebeurd.

Adri van der Poel, die lang met de besten meeging, had niet één maal een bandbreuk. ,Als de kasseien schoon zijn is het een mooie koers”, zei hij na afloop. “Ik? Ineens stond daar de man met de hamer voor me, weet je. Stuk was ik. Conditiegebrek. Ik ben tevoren op de stenen rustig gebleven, dank zij mijn ervaring als veldrijder. Het nemen van risico's leidt op die stroken alleen maar tot grote ellende.” Over de talloze valpartijen maakte Van der Poel zich niet zo druk. Die horen er in Parijs-Roubaix bij. “Het publiek veroorzaakt die ongelukken, omdat het zo dicht bij is. Bij voetballen staan ze op vijftig meter afstand, bij wielrennen met de neus erop. Dat maakt deze sport ook zo mooi, daarom lééft Parijs-Roubaix.”

    • Guido de Vries