Intrigerende, levendige Vlaamse versie van Jesus Christ Superstar

Voorstelling: Jesus Christ Superstar, van Andrew Lloyd Webber en Tim Rice, door het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. Spelers: Frank Hoelen, Addo Kruizinga, Anne Mie Gils, e.a. Vertaling: Paul Berkenman. Decor: Karina Lambert. Muziek o.l.v. Max Smeets. Regie: Frank van Laecke. Gezien: 6/4 in Orpheus, Apeldoorn. Nederlandse tournee t/m 26/6.

Nog maar enkele maten in de ouverture van Jesus Christ Superstar en ik dacht: dit is blijkbaar de house-versie - zo klonk de muziek, met elektronisch bonkende ritmes, als nieuw. Later toomt het orkest wel weer wat in, maar de associatie lag voor de hand. Ook visueel, want de musici zijn ondergebracht op een plateau tegen de achterwand van een voornamelijk in grijzen gedachte ruimte die aan een discotheek doet denken. En de volgelingen van de man die vanavond zal sterven (dit is de enige musical ter wereld waarvan iedereen de afloop kent), zijn uitgedost als disco-publiek, gewapend met plastic flessen Spa.

Jesus Christ Superstar, de uit 1971 daterende musical van Andrew Lloyd Webber en Tim Rice, is definitief ontgroeid aan de soepjurken van de bidprentjes. Wat overblijft, is een ietwat pompeus getoonzette show met een paar melodieen die nooit meer uit ons collectieve geheugen zijn verdwenen. En de boodschap? Rufus Collins maakte acht jaar geleden bij het Koninklijk Ballet van Vlaanderen een fleurige en bij vlagen blasfemische uitstalkast van effecten, zonder veel aandacht te schenken aan het lijdensverhaal. Maar nu hetzelfde gezelschap er een nieuwe versie van heeft gemaakt, in de regie van Frank van Laecke, is de aandacht weer volop op de inhoud gericht. De enscenering is inventief, maar sober: met veel spots op de voornaamste protagonisten gericht en weinig onnodig vertoon.

Zonder zijn publiek een eenduidige interpretatie op te dringen, geeft Van Laecke een reeks herkenbare aanwijzingen. Jezus, hier consequent als Dzjiezus aangeduid, zou de held van een groep jongeren zou kunnen zijn die hem kwaliteiten toedichten waarvan hij zelf lang niet overtuigd is. Toch vormt hij zodoende een dreiging voor de als projectontwikkelaars ogende Romeinen, die - dacht ik doorfantaserend - de discotheek willen afbreken om op die plaats een lucratieve kantoortoren neer te zetten. En dat Judas hem verraadt, is nogal logisch: die jongen houdt van Jezus en voelt zich afgewezen. Er zit onmiskenbaar iets homo-erotisch in de manier waarop hij Jezus bejegent. En niet voor niets mag Judas hier af en toe een regeltje uit I don't know how to love him meezingen, het lied dat tot dusver uitsluitend voor Maria Magdalena was geschreven.

Jammer, bij zo'n intrigerende visie, dat deze Jezus (Frank Hoelen) geen rock & roll in zijn stem heeft en ook verder te kwetsbaar op zijn benen staat om geloofwaardig te zijn als een charismatische leider. Judas (Addo Kruizinga) heeft dat wel, al is zijn overslaande pathos na het verraad naar mijn smaak te veel van het goede. Anne Mie Gils (Maria Magdalena) heeft het moederlijk gevoileerde timbre, dat zelfs in zo'n lastig parket troostrijk werkt. Om hen heen dartelt een adequaat ensemble in strakke choreografieen van Michele Assaf, die duidelijk maken dat er uit Jesus Christ Superstar nog steeds levendig theater te halen is. Daartoe geeft het Koninklijk Ballet van Vlaanderen met deze produktie een bezienswaardige aanzet.