Een bromvlieg in de keuken

Mijn leven lang heb ik vliegen waargenomen, maar toch heeft het heel lang geduurd voordat ik ze met aandacht en bewondering bekeek, om vast te stellen hoe fraai en doelmatig ze zijn, hoe voortreffelijk uitgerust voor wat zij geacht worden te doen.

Vliegen overtreffen ons in allerlei opzichten. Alleen al het oog van een vlieg is meer dan goud waard. Het is een zich in zichzelf wentelende allerzijds geslepen diamant waarin de nietigste beweging wordt weerspiegeld. In hun fraaiheid en doelmatigheid ligt tegelijk een volstrekte beperking besloten, waardoor vliegen als twee druppels water op elkaar lijken. Zij schijnen niet, als wij, op een vergelijkbare wijze uit een ei of eitje te zijn ontstaan, maar naar een in alle eeuwigheid vaststaand model te worden vervaardigd, op een verborgen plek in een donker woud, of in een reusachtige onderaardse grot waar gonzende machines miljarden van deze schepselen produceren om ze vervolgens de wereld in te zenden, met een roeping die in grote trekken niet van de onze verschilt, namelijk eten, drinken, zich vermenigvuldigen en sterven.

Enige tijd geleden, toen ik in de keuken een boterham stond te smeren, hoorde ik een vlieg tekeer gaan, een bromvlieg. Ik vind het vervelend, een bromvlieg in de keuken. Een bromvlieg is op een zaal berekend, of op een ruime tweepersoonsslaapkamer, wanneer het zomer is en een van de ramen op een kier staat, zodat de lange bijna tot op de grond reikende doorschijnende gordijnen bij elk zuchtje wind zachtjes bewegen. Dan kan het gezellig en inspirerend zijn een bromvlieg te horen en zijn tastende zoeken, met de begeleidende raadselachtigheid, aan het onberekenbare gebrom te registreren, zonder eigenlijk acht op hem te slaan.

In de keuken hinderde de bromvlieg mij, ook en misschien vooral toen ik hem niet meer hoorde, alsof iets in mijn waarneming stokte en mij pas nu, zij het lichtelijk, verschrikte. Ik keek of ik hem zag zitten, en ik zag hem ook zitten, op een busje of blikje, tussen andere blikjes en busjes die bij mij op de aanrecht staan. Instinctief haalde ik uit met het mes dat ik in mijn hand had en waarmee ik nog slechts een oogwenk geleden op een fatsoenlijke en zelfs achtenswaardige manier mijn boterham had staan smeren.

Blijkbaar had ik hem geraakt want ik zag hem niet meer en horen deed ik hem evenmin. Ik ontstelde door wat ik had gedaan, want hoe je het ook wendt of keert, ik had een medeschepsel gedood dat, zo goed als ik, zijn onvervreemdbare bestaansrecht bezit. Ik schoof de busjes en blikjes uit elkaar om te zien waar de bromvlieg was gebleven. Ineens zag ik hem ook, tussen die blikjes. Hij lag op zijn rug en met behulp van zijn wriemelende pootjes draaide hij als een waanzinnige in het rond. Bij mijn aanvankelijke ontsteltenis voegde zich de verbijsterende gedachte de bromvlieg op een zodanige wijze te hebben geraakt dat ik hem een hersen- of zenuwletsel had toegebracht en hij jammerlijk aan zijn eind moèst komen. Voor de derde keer nam ik nu bij mijzelf een gemoedsbeweging waar waarop ik in mijn keuken niet was voorbereid. Behalve afschuw voelde ik medelijden en de absurde plicht een insect, een klein nog levend dier te verlossen uit het lijden dat ik hem zelf had aangedaan.

    • Adriaan Morrien