De zaak Brinkman

HET MOMENT KOMT altijd ongelegen. Dat geldt thans zeer in het bijzonder voor CDA-lijsttrekker Brinkman en de commotie die is ontstaan rond zijn commissariaat bij de beheersmaatschappij Arscop B.V. in Scherpenzeel. Een kleine vier weken voor de verkiezingen, in een tijd dat het CDA toch al in een neerwaartse spiraal zit, als lijsttrekker met een dergelijk verhaal geconfronteerd worden is inderdaad een zwart scenario.

Het valt misschien niet mee, maar zakelijkheid is onder dergelijke omstandigheden geboden. Die zakelijkheid bleek niet uit de eerste reactie van Brinkman op de uitzending van de KRO waarin hij het programma “onderdeel” noemde van een schandelijke en ongefundeerde beschadigingsactie jegens zijn persoon en het CDA. Het suggereert dat er een veel bredere campagne tegen hem wordt gevoerd. Inderdaad, Brinkman genereert al langer veel en vaak ook negatieve publiciteit. Maar dat is inherent aan de electorale positie waarin Brinkman en zijn partij momenteel verkeren. Dit toeschrijven aan een campagne die tegen hem wordt gevoerd, zet vraagtekens bij de crisisbestandigheid van de CDA-leider.

TENSLOTTE DE zaak zelf. De vraag of een Kamerlid een commissariaat mag bekleden is snel beantwoord. Volksvertegenwoordigers dienen een open lijn met de samenleving te onderhouden. Een commissariaat kan tot één van de instrumenten daartoe behoren. Maar vast staat ook dat een dergelijke band het risico met zich meebrengt van vergrote kwetsbaarheid. Het is aan ieder Kamerlid zich daar rekenschap van te geven om vervolgens eventuele risico's te minimaliseren. Wat voor Brinkman telt is of hij zich daar van bewust was toen hij - juist omdat het familieoverwegingen waren - het commissariaat bij Arscop op zich nam. Een commissaris kan niet alles weten, hoeft niet alles te weten, maar de vraag over zijn antenne-stelsel is hiermee niet van tafel.