Zoveel hoofden

Maandag na Palmzondag hadden we om een of andere reden vier kranten in huis. Daardoor konden we vier recensies lezen van de uitvoering van de Johannes Passion onder leiding van Philippe Herreweghe die we de middag ervoor in het Concertgebouw hadden gehoord.

'Herreweghe dirigeert de Johannes Passion zeldzaam ontroerend' stond boven de recensie van Kasper Jansen in NRC Handelsblad. Maar de kop van die van Roland de Beer in de Volkskrant was: 'Herreweghe beweegt zich in Passie als een vis in heet water'.

Over de Christuspartij schreef Franz Straatman in Trouw: “Ontroerend was de Christus van Kristinn Sigmudsson, twee meter bas uit IJsland met dramatische laagte en lyrische hoogte, die de stervende Heiland in gemompelde klank uitbeeldde. Hij deed mij denken aan de mooiste Christus, Peter van der Bilt, uit de begin-periode Harnoncourt bij het Concertgebouworkest. Gaarne tot en met het eeuwfeest (1999) contracteren.”. Bas van Putten schreef daarentegen in Het Parool: “De sonore bas van Kristinn Sigmundsson werd gehinderd door autistische onbewogenheid. Wellicht om die reden was de frase 'Es ist vollbracht' het meest indrukwekkende moment in zijn bijdrage. Voor het eerst had de ijzige starheid van zijn robuuste stem iets aannemelijks.” Van Putten vond de Evangelist Howard Crook “weinig expressief en moeizaam in zijn gesimuleerde dramatiek”, en Straatman schreef over “een stem zonder potentie, die zich alleen in aangedikte voordracht nog enige pose dacht te kunnen geven”. Maar Jansen oordeelde dat Crook “een beeldend zingend Evangelist is, wiens toch al hoge stem telkens opnieuw vanzelf omhoog gaat bij een woord als 'Hohenpriester'.” Hij had het ook over “zeer verzorgde blazersbegeleidingen”, terwijl Straatman juist vond dat het volgens hem heel innemende kwikzilversopraantje Sandrine Piau “hinderlijk werd gevolgd door twee uitstekende fluitisten”. De zang van de sopraan werd overigens door Van Putten weer nièt mooi gevonden: wel “aanzetten tot emotionaliteit”, maar “intonatie- en legatoproblemen (bederven) het genoegen grondig”.

Het is natuurlijk algemeen bekend dat recensenten grotelijks kunnen verschillen in smaak en in criteria die zij aanleggen bij het geven van hun oordeel, of het nu gaat om podiumkunst, beeldende kunst of literatuur. In die zin zijn mijn bovenstaande vergelijkingen niet onthullend.

Het is echter wel zo dat de meeste mensen maar één krant lezen en dus onder invloed staan van de voorkeuren van de daarbij horende recensenten. Is dat erg? Nee, dat is niet erg. Maar het leidt wel tot een interessante vraag van het type aanleg-of-omgeving, nature-of-nurture. Namelijk: worden iemands meningen en smaak (mede) gevormd door de krant die hij of zij leest, terwijl de aanvankelijke keuze voor juist die krant van andere factoren afhankelijk is? Of kiest iemand een krant waarin hij of zij de reeds aanwezige opvattingen en voorkeuren terugvindt? Meer in het algemeen gesteld: in hoeverre is een krant opinievormend dan wel opiniebevestigend? Een vraag die overigens ook gesteld kan worden met betrekking tot de zogenoemde opiniebladen.

Ik denk het laatste. De zure Volkskrant, de gewetensvolle Trouw, de redelijke NRC, het onbesuisde Parool en de onberekenbare Telegraaf, zij alle trekken een bijpassend lezerspubliek aan en ieder blijft denken zoals hij of zij altijd al deed. Van werkelijk opiniëren in de betekenis van mensen op nieuwe ideeën brengen is nauwelijks sprake. Kranten en opiniebladen hebben voor heel wat meer lezers dan journalisten wel zouden willen, louter een symboolwaarde en vormen geen informatiebron voor voortdurende gedachtenvernieuwing. Symbolen met behulp waarvan zij het gevoel kunnen krijgen tot een bepaalde groep te behoren, vaak zonder nu precies te weten welke consequenties dat eigenlijk voor hun denken zou moeten hebben, en zeker zonder de mogelijkheid dat eigen denken kritisch te volgen.

Als het gaat om duidelijke veranderingen in algemeen aanvaarde opvattingen spelen tijdschriften van allerlei pluimage een grotere rol dan kranten en opiniebladen. Zo denk ik bijvoorbeeld dat de emancipatie van vrouwen vooral bereikt is door de bijdragen van de traditionele vrouwenbladen - voorheen damesbladen - ook al werd daar vaak op neergekeken omdat ze rolbevestigend zouden zijn. Tussen al het bevestigen van het bestaande werd namelijk voorzichtig gestrooid met kleine beetjes informatie over het nieuwe. Het procédé volgens welke zulke tijdschriften worden gemaakt doet denken aan het begrip 'zone van de naaste ontwikkeling' uit de theorie van de Russische psycholoog Vygotskij. Belangrijk voor de verstandelijke ontwikkeling van een kind is niet het denkniveau dat hij heeft bereikt, maar net één stapje verder. Het kan zijn bereikte niveau met behulp van een volwassene overschrijden en zo de naastliggende zone binnenkomen. Kleine stapjes, inderdaad. Toen Margriet in de jaren zeventig gedurende enige tijd de traditionele rol te weinig aandacht gaf ten gunste van het roldoorbrekende, kostte dat abonnees. Maar wanneer het gedoseerd gebeurde werden lezers gaandeweg op andere gedachten gebracht - de ware opiniëring. Kom daar eens om in de krant.

Hoe verschillend de kranten onderling ook mogen zijn, van tijd tot tijd hanteren zij dezelfde normen bij het bepalen wat belangrijk nieuws is en wat niet. Op Tweede Paasdag verongelukte een vliegtuig, waarbij drie mensen de dood vonden en reed een dronken automobilist in Brabant vijf mensen dood. Het vliegtuigongeluk stond met foto's op de voorpagina's, gevolgd door analyses, beschouwingen en ooggetuigeverslagen om nog een hele binnenpagina te vullen. Het auto ongeluk stond vermeld op pagina twee (NRC Handelsblad) of zes (Het Parool) in een onopvallend verzamelbericht waarin werd vermeld dat in het Paasweekeinde elf mensen in het autoverkeer om het leven waren gekomen.

De wondere wereld die journalistiek heet.

    • Rita Kohnstamm