Zachte sector van economie moet naar markt worden overgeheveld

In de Nederlandse economie bestaat een scheefgroei tussen de zachte en de harde (markt)sector. Om daaraan een eind te maken is slechts een oplossing effectief: grootscheepse overheveling van de zachte sector naar de marktsector. Mits de 'overheid garandeert dat lagere inkomens een eerlijke kans op dienstverlening van de zachte sector hebben'.

De Nederlandse economie kan in twee grote sectoren onderscheiden worden.

De eerste is de harde sector. Deze bestaat uit tuinbouw, landbouw, delfstoffenwinning, industrie, internationaal transport, zakelijke en overige commerciële dienstverlening (zoals het verzekerings- en bankwezen), handel en communicatie. Vrijhandels-afspraken zoals het 1992-programma van de Europese Gemeenschap en het recente GATT-akkoord hebben de harde sector steeds meer blootgesteld aan de tucht van de markt zodat ze zich wel efficiënt moet organiseren. Deze concurrentieslag zal in de toekomst alleen maar heviger worden. Zo worden de prijssubsidies voor landbouw-produkten vervangen door inkomensgaranties, wordt een steeds steviger anti-kartelbeleid gevoerd, en hopelijk krijgen ontwikkelingslanden meer kansen hun produkten op onze markten te slijten. Een ander belangrijk kenmerk van de harde sector is een substantiële groei van de arbeidsproduktiviteit. Automatisering, verbetering van produktieprocessen, en onderzoek en ontwikkeling zijn aan de orde van de dag. Veel mensen zemelknopen over technologische vooruitgang omdat deze arbeidsuitstoot en dus werkloosheid zou veroorzaken. Als we dezelfde economische welvaart kunnen bereiken door minder te werken dan lijkt me dat echter een goede zaak. Willen we 'jobless growth' in de harde sector vermijden, dan moeten we steeds meer produceren. Dit gaat helaas gepaard met uitstoot van schadelijke stoffen en gassen en dus met een aantasting van de kwaliteit van het milieu.

De tweede belangrijke sector van de Nederlandse economie is de zachte sector. Deze bestaat uit welzijn, volksgezondheid, zorg, cultuur, onderwijs, veiligheid, bestrijding van de criminaliteit, de woningbouw, en bepaalde takken van dienstverlening die zich voornamelijk richten op de binnenlandse markt.

Er zijn vier wezenlijke verschillen tussen de zachte sector en de harde sector. Ten eerste is er relatief veel sprake van gevestigde belangen in de zachte sector. Er is immers relatief weinig onderlinge concurrentie tussen scholen, universiteiten en ziekenhuizen, laat staan van mededinging van buiten Nederland. Het gebrek aan concurrentie kan gedeeltelijk worden ondervangen door oplegging van kwaliteitseisen, invoering van 'Michelin-gidsen' voor bijvoorbeeld het onderwijs en de zorg, en meer open tendering voor overheidsopdrachten.

Een ander verschil met de marktsector is dat het grootste deel van de zachte sector collectief gefinancierd wordt, van overheidsopdrachten afhankelijk is, of uit ambtenaren bestaat, en dat er weinig gebruik gemaakt wordt van het profijtbeginsel. Er is het gevaar dat de zachte sector verslaafd raakt aan subsidiestromen. Het ontbreken van een goed prijsmechanisme bemoeilijkt het goed aansluiten van de vraag bij het aanbod in deze sector. Het gebrek aan marktdiscipline tesamen met de afhankelijkheid van collectieve financiering kunnen tot verstarring en lethargie leiden. Deze tendens wordt verstrekt in de cultuursector door een legitimatie in de intrinsieke waarde en in de gezondheidszorg door een beroep op professionele autonomie van de medische specialisten.

Het derde verschil met de harde sector is de relatief lage groei van de arbeidsproduktiviteit. Illustratief is de gezondheidszorg. Gedurende de periode 1973-87 bleef de gemiddelde jaarlijkse groeivoet van het volume van de gezondheidszorg (1,9 procent) ietsje achter bij de groeivoet van het volume van het nationale inkomen (2 procent), terwijl de gemiddelde prijsstijging in de gezondheidszorg (6,6 procent) gemiddeld hoger is dan die van het nationale inkomen (5,0 procent). Deze kostenstijgingen zijn niet het gevolg van inhalige dokters en ambtenaren of het over de balk gooien van geld, maar een onvermijdelijke consequentie van een achterblijvende produktiviteitsgroei.

Dergelijke ontwikkelingen zien we ook in het onderwijs, de cultuur, veiligheid, bestrijding van de criminaliteit, en woningbouw. In bijvoorbeeld het basisonderwijs is er een plafond aan de technologische vooruitgang die mogelijk is. Indien je onderwijzers met steeds grotere klassen opzadelt gaat dat uiteindelijk ten koste van de kwaliteit van het onderwijs. Hetzelfde geldt voor bejaardenzorg, het toneel, de politie en de meeste andere takken van de zachte sector.

Ondanks forse efficiëntieverbeteringen, is de produktiviteitsgroei in de zachte sector achtergebleven bij die in de harde sector. Het is dan een boekhoudkundige onvermijdelijkheid dat de prijsstijging in de zachte sector hoger is dan die in de harde sector. Daarom slokt de zachte sector een steeds groter aandeel van het nationale inkomen op.

De keerzijde van een relatieve lage produktiviteitsgroei is dat de zachte sector een relatief grote bijdrage aan de werkgelegenheid zou kunnen leveren. Temeer daar uit enquêtes blijkt dat er een grote maatschappelijke behoefte aan de diensten van de zachte sector is. Bovendien blijkt dat naarmate burgers welvarender worden, ze bereid zijn meer over te hebben voor een goed ontwikkelde zachte sector.

Het vierde verschil met de harde sector is dat er in de zachte sector relatief weinig sprake is van milieuvervuiling.

De harde sector staat bloot aan internationale concurrentie, levert een belangrijke bijdrage aan de exportpositie, moet zichzelf bedruipen, en kan bogen op een relatief hoge groei in de arbeidsproduktiviteit en steeds lagere prijzen, maar heeft steeds minder werknemers nodig en stoot relatief veel vervuilende stoffen en gassen uit. De zachte sector daarentegen is teveel beschermd tegen de tucht van de markt, wordt gevoed door de hand van de overheid, en moet het ondanks forse aderlatingen stellen met een relatief lage groei in de produktiviteit, maar biedt de mogelijkheid van zeer veel arbeidsplaatsen, is relatief schoon, en voorziet in een grote maatschappelijke behoefte.

Deze verschillen tussen beide sectoren leiden enerzijds tot de-industrialisatie en een steeds groter aandeel van de zachte sector in het nationale inkomen, anderzijds tot een bedreiging van de werkgelegenheid, een aantasting van de kwaliteit van de dienstverlening in de zachte sector, een toenemende verslechtering van het milieu, en een ondermijning van de duurzaamheid van onze samenleving.

In Nederland wordt de groeiende kloof tussen de harde en de zachte sector versterkt door een andere vicieuze cirkel. De achterblijvende produktiviteitsgroei in de zachte sector maakt het onvermijdelijk dat de collectieve lastendruk alsmaar stijgt. Het gevolg is een verslechtering van de verhouding tussen het aantal inactieven en actieven waardoor de financiële grondslag van de Nederlandse verzorgingsstaat en het voortbestaan van de zachte sector bedreigd worden. De economie zucht onder het juk van de vele overdrachten aan de inactieven.

Het Nederlandse politiek-economische debat lijkt deze oorzaken van de fundamentele scheefgroei tussen de harde en zachte sectoren van de economie en de toenemende tweedeling tussen actieven en inactieven niet goed te onderkennen. Toch dragen de politiek en de sociale partners een aantal oplossingen aan. Men is nu drie kabinetten lang bezig met bezuinigingen op de collectieve sector om ruimte te maken voor particulier initiatief. Helaas ging dit te weinig door het maken van expliciete keuzes over welke delen van de zachte sector wel en welke niet overgeheveld moeten worden naar de marktsector. Te vaak vermijdt men keuzes door de rücksichtslose methode van de kaasschaaf zoals het onevenredig bevriezen van ambtenarensalarissen, het afschaffen van prijscompensatie of het structureel inboeken van efficiencykortingen. Beter is het afschaffen van de objectsubsidies en een sobere studiefinanciering. Sommige verkiezingsprogramma's pleiten voor een korting op de hoogte van de uitkeringen om Nederland weer aan de slag te krijgen. De bovengeschetste scheefgroei tussen de harde en de zachte sectoren zal echter telkens weer nopen tot verdergaande bezuinigingen. De economische groei in de harde sector wordt gestimuleerd opdat de overheid genoeg belastinginkomsten heeft om de zachte sector en de uitkeringen te kunnen betalen. Dat dit de kwaliteit van het milieu schaadt is een prijs die de politiek bereid lijkt te zijn te betalen in de slag tegen de lage arbeidsmarktparticipatie.

Een andere suggestie, populair bij de vakbeweging, is het eerlijk verdelen van werk door invoering van arbeidstijdverkorting. Hoewel ik selectieve vormen van arbeidstijdverkorting toejuich indien zij gepaard gaan met bedrijfstijdverlenging of zorg- en studieverlof, is 'met z'n allen minder uren gaan werken' niet een structurele oplossing voor de werkloosheid. Vermindering van het arbeidsaanbod (VUT of ATV) maken een land alleen maar armer. De neerwaartse druk op lonen vermindert waardoor de vraag naar arbeid daalt. Het gevolg is dat de economie op een lager pitje gaat draaien en het draagvlak voor de verzorgingsstaat en de zachte sector ondermijnd wordt.

Een laatste suggestie die van tijd tot tijd van stal gehaald wordt door de 'elite' van het bedrijfsleven is protectionisme om de harde sector te vrijwaren van concurrentie uit lage-lonenlanden. Door beperking van vrijhandel worden burgers opgezadeld met te dure en inferieure produkten. Tevens wordt ontwikkelingslanden de kans ontnomen zich te ontwikkelen waardoor de instroom van migranten toeneemt. Het is moeilijk vol te houden dat onze industrie aan concurrentie met de Derde Wereld ten onder gaat. Op lange termijn veroordeelt protectionisme een land tot een verstarrende, lethargische economie met een lage welvaart.

Bovenstaande 'oplossingen' zijn niet voldoende om de scheefgroei in onze samenleving te stoppen. Een echte oplossing van de scheefgroei in onze economie, de permanente aanvallen op de zachte sector, de slechte verhouding van inactieven tot actieven, en de verdergaande aantasting van het milieu vereist perspectief voor de zachte sector. De harde sector heeft immers ook baat bij een interessant cultureel klimaat, gezonde en goed geschoolde werknemers, en een toegankelijke huisvesting.

Eén methode om de scheefgroei tussen deze twee sectoren van de economie te doorbreken is grootscheepse overheveling van de zachte sector naar de marktsector. De burgers en bedrijven worden dan gedwongen meer eigen verantwoordelijkheid te nemen voor onderwijs, cultuur, gezondheid en zorg. Geen van de verkiezingsprogramma's rept over privatisatie van scholen, universiteiten, ziekenhuizen, zorginstellingen en politie of over afschaffing van sociale woningbouw. Dit is niet verwonderlijk, omdat dan de toegankelijkheid van de zachte sector voor de kansarmen op het spel staat.

De enige sociale oplossing die ruimte laat voor de zachte sector is een strengere uitvoering van de sociale zekerheid en een voortdurende loonmatiging. Wim Kok gaf dit reeds aan in een interview in NRC Handelsblad van 28 februari 1994: “De mensen moeten er rekening mee houden dat er deze eeuw helemaal geen ruimte voor koopkrachtstijging meer voor ze is.” Dit betoog voor soberheid en solidariteit van werknemers in de marktsector met de zachte sector en de uitkeringsgerechtigden is essentieel voor het evenwicht tussen de beide sectoren van de economie en de sociale cohesie. Op langere termijn is het echter onvermijdelijk dat delen van de zachte sector niet meer uit collectieve middelen gefinancierd worden, maar dit alleen als de overheid kan garanderen dat ook de lagere inkomens een eerlijke kans op dienstverlening van de zachte sector hebben.