'Wat anderen de hel noemen is voor mij een soort paradijs'

Op 25 augustus wordt hij veertig jaar, GILBERT DUCLOS-LASSALLE. Desondanks is hij een van de favorieten voor de wielerklassieker Parijs-Roubaix, die morgen wordt verreden. “Elk punt van de kasseienstrook zit in mijn geheugen geprent.”

Hij schiet in de lach als hij hoort dat wijlen Theo Koomen eens vol enthousiasme in de radio-microfoon riep dat hij twéé renners zag demarreren, ene Duclos en ene Lassalle. Dat was aan het einde van de jaren zeventig, toen hij een beginnende professional was. In 1980 behaalde hij zijn eerste grote overwinning, de etappewedstrijd Parijs-Nice, in het shirt van sponsor Peugeot, waarvan Hennie Kuiper de kopman was. Zijn (dubbele) naam was meteen gevestigd. “Nee, ik heb geen voorvaderen die graven of hertogen waren, of zelfs maar van eenvoudige adel”, legt de in Lembeye geboren renner uit. “Ik kom uit een doodgewone familie. Uit de Pyreneeën, waar ik nog steeds woon.”

Gilbert Duclos-Lassalle, de uitspraak vergt enige tijd. Vandaar dat het Franse wielerpubliek iets korters bedacht: Gibus. Zo heette ook een bekende hoedenmaker uit de vorige eeuw. Letterlijk betekent gibus klaphoed, het is een cylinderhoed die samengeklapt en onder de arm kan worden gedragen. “Zo diep zullen de supporters er vast niet over hebben nagedacht”, grijnst Duclos-Lassalle. “Ze hebben mijn voornaam simpel omgebogen in het lekker klinkende Gibus, zoals ze Poulidor ooit in Poupou veranderden. Collega-renners hebben dat koosnaampje later overgenomen. De pers deed dat eveneens.” Toen de veteraan twaalf maanden geleden Parijs-Roubaix voor de tweede achtereenvolgende keer won, had het Franse sportdagblad L'Équipe de kop boven het verhaal dan ook snel klaar: 'Chapeau, Gibus'.

Het gesprek heeft eind maart plaats, in een Noordfrans grenshotel, op de avond na de Grote E3-Prijs in Harelbeke. Duclos-Lassalle heeft het bezwete en bestofte rennerstenue van Gan verwisseld voor een keurig kostuum met een fel gekleurde stropdas. De gentleman ziet er uit als een yup. In gedachten is hij naar zijn zeggen nu al enkel en alleen bezig met Parijs-Roubaix. Vóór de koninginneklassieker zal hij als opwarmer de Ronde van Baskenland rijden. “En pas op de dag vóór de wedstrijd arriveer ik in Compiègne, de startplaats. Ik ga het parcours niet verkennen. Dat is niet nodig, zelfs niet als de organisatie enkele veranderingen mocht aanbrengen. Want de afgelopen maanden heb ik thuis uitgebreid de cassettes van de vorige twee edities bestudeerd. Ik weet àlles van de kasseienstroken, elk punt van de route zit in mijn geheugen geprent.”

Vanmiddag maakt Duclos-Lassalle bij Compiègne een ritje van ten hoogste twintig kilometer. “Om de telescopie van enkele fietsvorken te testen”, legt hij uit. “Om uit te vinden welke verende vork ik de mecanicien dit keer zal laten monteren. Ik hecht bijzonder aan die vering. Op de kasseien fungeert die als een schokdemper, daar heb ik naar mijn idee erg veel voordeel van.” Hij beschikt tijdens de wedstrijd over “honderden banden”, maar hij heeft slechts één reservefiets bij de hand, die op de volgauto is bevestigd. “Ik wil er ook niet méér meenemen”, merkt hij op, “want dan moet je onderweg kiezen, beslissen wèlke je wilt hebben. Daar pas ik voor, ik heb in de finale wel wat anders te doen.”

Hij zegt dat het hem niet uitmaakt hoe het weer zal zijn. “Zon of regen, het mag van mij allebei. Parijs-Roubaix is Parijs-Roubaix. Natuurlijk, als het nat is, is het een andere klassieker dan wanneer het droog blijft. Zonder neerslag, zoals de afgelopen twee jaar, moet je juist veel macht hebben om te winnen. Dan heb je de benen van een os nodig. Zitten de kasseien onder het vocht - veertien jaar geleden was dat het geval, toen ik tweede werd achter Francesco Moser - dan is de kracht minder van belang. Dan moet je meer een akrobaat zijn om als eerste binnen te komen. Dan moet je overeind zien te blijven en de beste route kiezen zodat je de grote gaten in de weg ontwijkt.”

De naam is gevallen: Moser. Duclos-Lassalle spreekt hem vol eerbied uit, net als die van Roger de Vlaeminck, die dank zij vier zeges nog altijd Monsieur Paris-Roubaix heet. “Moser, ongelooflijk, wat een klasse was dat. In 1980 waren we met vier renners ontsnapt. Mij, Didi Thurau en De Vlaeminck gaf hij aan het einde geen enkele kans. Ik was destijds een jonge renner, ik kwam net kijken. Moser was voor mij een verafgode kampioen, een grote mijnheer. Ik keek met grote ogen vol respect tegen hem op. De macht waarmee hij te keer ging, het duwen met die super-versnelling, de manier waarop hij over de keien raasde. De Vlaeminck kon naar mijn idee nòg meer. Hij was de absolute specialist van Parijs-Roubaix. Ik vraag me af of zijn record ooit nog wordt verbeterd. Ik was gek op De Vlaeminck, op de bijzondere wijze waarop hij over de kasseien ging. Hij leek wel te dansen. De Vlaeminck en Moser zijn ware inspiratiebronnen voor me geweest.”

Volgens Duclos-Lassalle is Parijs-Roubaix niet zo veel zwaarder dan andere klassiekers. “Je instelling is belangrijk”, meent hij, “het gaat erom dat de juiste dingen op het passende moment door je hoofd spelen. Attent moet je zijn, steeds je ogen open houden. Eén keer per jaar heb je de kans, die dag moet het gebeuren. Het is een fantastische koers, ook dank zij de ambiance, de grote hoeveelheid publiek. Elke klassieker heeft trouwens zijn charme. De Ronde van Vlaanderen is prachtig, net als de Amstel Goldrace. Toch is Parijs-Roubaix iets aparts, het is een rit voor echte kerels. Een juffertje wint hier niet. Je moet een goede lichaamsbouw hebben. Een jongen van circa 1.80 lang bij een gewicht van zeventig, tachtig kilo, dat is ideaal. Iele klimmers of fijngebouwde coureurs kunnen beter thuis blijven.”

Telt hij mee in de finale, dan zal hij midden op de weg zijn te zien. “Want daar krijg je minder snel een lekke band dan in de zachte berm, waar de gevaarlijke troep, het puin en de rotzooi liggen. Het is waar, op de kasseien krijg je meer schokken te verwerken en geloof me, die doen pijn, verschrikkelijk veel pijn. Daar moet je doorheen bijten. Kijk de televisiebeelden er maar op na, alle grootheden in Parijs-Roubaix, De Vlaeminck, Moser, Eddy Merckx, allemaal reden ze midden op de weg. Daarmee maak je ook indruk op je concurrenten.”

Het is opmerkelijk dat een renner uit de Pyreneeën uitblinkt in Parijs-Roubaix. “Ik ben dikwijls gevraagd of ik op de kasseien heb leren rijden. Nee, antwoord ik dan, want sinds mensenheugenis zijn die er bij ons in het zuiden van Frankrijk al niet meer. Spoedig nadat ik in 1977 bij de profs debuteerde, startte ik in Parijs-Roubaix. Ik was meteen onder de indruk van de sfeer, ik was direkt verkocht, ik hield van die wedstrijd. Daar kwam bij dat hij me goed lag. En dat ik snel goede resultaten haalde. Vandaar mijn speciale band met Parijs-Roubaix. Men spreekt over de 'Hel van het Noorden'. Voor mij bestaat die niet. Wat anderen de hel noemen is voor mij een soort paradijs.”

Desondanks bekent Duclos-Lassalle dat hij veel lijdt in Parijs-Roubaix. Zoals vorig jaar, toen hij in de finale bijna “zat te sterven” aan het wiel van de fietsende beul Franco Ballerini. “Ik had al een val en een lekke band achter de rug”, herinnert Duclos-Lassalle zich, “dat mag je natuurlijk niet vergeten. Het eerste jaar dat ik won ging het allemaal stukken gemakkelijker. Ik had geen enkele tegenslag gehad toen ik een solo reed nadat ik Jean-Paul van Poppel loste. In 1992 was ik als een kaartspeler die het hele spel in de hand had. Vorig seizoen niet. Met die tomeloze, ontketenende Ballerini was het super-lastig. Ik dankte waarschijnlijk veel aan een specialiteit: door mijn ervaring in zesdaagsen op de winterbanen had ik op de piste van Roubaix in de sprint enig perspectief tegen Ballerini.” Routine is belangrijk, weet de 39-jarige Duclos-Lassalle. “Twaalf maanden geleden speelde die een grote rol. Ik was toch beter tegen de spanning en de onvermijdelijke zenuwslopende taferelen van een finale opgewassen dan die Ballerini, een tamelijk onervaren jongen. In de spurt is hij, ook op de baan, normaal gespoken sneller dan ik. Hij blokkeerde, hij was één brok zenuwen. Franco ging kapot aan zijn gebrek aan levenswijsheid. Ik was heel wat kalmer dan hij.”

Het is verbazend dat Duclos-Lassalle het leven als prof ogenschijnlijk nog zo gemakkelijk volhoudt. Veel renners krijgen op 33-, 34-jarige leeftijfd mentale problemen. “Ze kunnen het niet meer aan 's zomers bijna dag-in-dag-uit aan de start van een wedstrijd te staan”, weet Duclos-Lassalle. “Een voetballer, tennisser of een atleet kampt met dezelfde moeilijkheid. De geest van de mens is dan het belangrijkste. Er spelen in ons vak nog andere dingen mee. Kun je het nog opbrengen elke dag drie, vier of soms wel zes uur op de fiets te zitten om te trainen, ook als het regent? Daarvoor moet je hard zijn. Ambitie hebben, in de greep zijn van de sport. Ik heb nog net zo veel ambitie als toen ik twintig was. Wat dat betreft ben ik een beetje als Joop Zoetemelk, Gerrie Knetemann, Poulidor en Kuiper. Net als zij heb ik een ware passie voor het métier, die maar niet voorbij gaat. Het eerste wat telt is liefde voor deze sport. Ik denk dat die ontbreekt bij veel jongeren. Daarom dienen zich in uw land en ook bij ons in Frankrijk zo weinig nieuwe kampioenen aan.”

Duclos-Lassalle is grenzeloos populair in Frankrijk. De Béarnais - “nee, ik ben geen Bask, ook al noemen ze me zo” - is met name de laatste twee jaar een lieveling van het publiek geworden. “De eerste keer dat ik Parijs-Roubaix won”, zegt hij, “wist Frankrijk niet hoe het me moest inschatten. De tweede keer wel. Ik bewees dat ik geen eendagsvlieg was. Het enthousiasme was enorm. Als ik deze editie zou winnen, dan evenaar ik Moser. Dan krijg ik een standbeeld. Het zal niet gemakkelijk zijn, de concurrentie is groot. Ik reken weer op Ballerini, op Van Poppel, op Johan Museeuw, op Olav Ludwig, wie weet ook Mario Cipollini. En dan vergeet ik er nog een paar zoals, hoe heet hij ook al weer, de schoonzoon van Poulidor? Juist, Adri van der Poel.”

    • Guido de Vries