Wapenbroeders; Verhalen van het Servisch-Bosnische front; 'Dit werk geeft een gevoel van absolute macht'

Jovan neemt het er van, nu hij even paar dagen verlof heeft. De fles slivovitsj is bijna leeg, de tv staat op MTV en hij rookt de ene sigaret na de andere. Hij is een magere, nerveuze man van dertig jaar oud. Voor de oorlog werkte hij als ober, zeven jaar aan de Kroatische kust en drie jaar in een Joegoslavisch restaurant in Duitsland. Sinds 1991 is hij sluipschutter, eerst in het federale Joegoslavische leger tijdens de oorlogen met Slovenië en Kroatië in 1991, daarna in Bosnië als soldaat van het Servisch-Bosnische leger.

Hij woont in het centrum van Prijedor, een stad in het noordwesten van Servisch-Bosnië. Zijn appartement is modern ingericht. Tot voor kort leefde hij er alleen met zijn moeder, vorige maand is zijn nieuwe vriendin bij hem ingetrokken. Politiek interesseert hem maar weinig, maar als Serviër voelt hij zich bedreigd door de hele wereld en door Kroaten en moslims in het bijzonder. Terwijl hij zijn verhaal vertelt, zit zijn moeder - onderwijzeres op een basisschool - op de bank te breien. Af en toe mengt ze zich in het gesprek, waarbij ze zich beklaagt over de hoge prijzen en haar lage salaris.

“Ik zit in een speciale aanvalsgroep. Dat betekent altijd als eerste vooruit, om de weg voor de anderen vrij te maken. Als sluipschutter moet je hele goede zenuwen hebben en niet bang zijn. Angst kun je controleren en dat moet je leren. De eerste actie is altijd het zwaarst. Tegenwoordig opereer ik meestal in stilte, maar die eerste keer belandde ik middenin een massale confrontatie. Je weet überhaupt niet waar je bent, overal hoor je granaat-inslagen en explosies. Ik bevond me op 120 meter afstand van die man. Een keer schieten en klaar. Hij was dood. Gaat het de eerste keer goed, dan loopt het.

“Ik begon met een half jaar Kroatië. Toen de oorlog Prijedor bereikte was ik ook van de partij. Iedereen woonde hier dwars door elkaar. Het was een totale burgeroorlog, een echt stadsgevecht. Je wist bij God niet wie wie was. Wij Serviërs hadden daarom onderlinge afspraken gemaakt: op maandag droegen we allemaal op onze linkerarm iets wits, op dinsdag iets blauws. Wie in een uniform liep zonder zo'n strookje, schoten we meteen dood. Later vocht ik overal in Bosnië, in Srebrenica, Brcko, Gradacac, noem maar op. De laatste tijd werk ik vooral in het noorden. Daar is het nu redelijk rustig maar voor mensen met mijn specialisatie is er altijd wel werk aan de winkel.”

“Het belangrijkste is je concentratie. Mijn wapen weegt 4,5 kilo en is dus te zwaar om urenlang vast te houden. Daarom hang ik het vaak met twee riemen in een boom. Intussen doe ik wat vingeroefeningen en ik loop er elke minuut even naar toe en sluit mijn vingers om de trekker, niet te vast maar ook niet te losjes. Je moet altijd in een seconde beslissen: wacht ik nog een minuut of zal ik schieten?

Dat wachten kan eindeloos lang duren. Ik heb er wel eens negen uur over gedaan. In het ochtendschemer was ik een huis binnen geslopen en ik stond roerloos op de bovenste verdieping. Ik wist dat er zich aan de overkant ook een sluipschutter bevond, dus ik mocht al die tijd zelfs mijn arm niet bewegen. Om twee uur 's middags heb ik geschoten. Hij was op slag dood.

“In oorlogstijd dragen officieren nooit hun insignes, om herkenning te voorkomen. Vanuit mijn ervaring kan ik zien wie de leiding heeft. Dat is degene die de kaart bestudeert en die de aanwijzingen geeft. Om hem gaat het. Nadat je geschoten hebt, wacht je even. Als hij nog leeft, schiet je nooit een tweede keer. Je wacht totdat ze proberen hem weg te halen, dat geeft je de kans er nog eens drie of vier extra te raken.

“Het werk geeft je een gevoel van absolute macht. Je ziet die ander lopen en hij weet niet hoe dicht hij bij de dood is. Als ik zijn gezicht zie en hij rookt een sigaret of zit iets te eten, vind ik het moeilijk om te schieten. Bij een officier doe ik dat uiteraard toch, maar bij een gewone soldaat schiet ik liever niet. Maar als we slechts dertig, veertig meter van elkaar verwijderd zijn, dan kan je niet kiezen, dan moet je wel, want in zo'n geval staat je eigen leven op het spel.

“Na afloop van een actie ben je uitgeput. Ik val meestal direct in slaap en in mijn gedachten beleef ik het moment waarop ik schoot steeds opnieuw. Waar bevond ik me? Welk moment was het meest gevaarlijk? Had ik het anders moeten doen? Soms slaap ik de hele dag door. Kijk, hier heb ik een foto van mezelf vlak na een actie. Ik zie er echt total loss uit. Die foto bewaar ik later voor mijn kinderen, als herinnering. De man naast me op de foto heeft later zijn rechterbeen verloren. Hij heeft nu een cafétje; als we daar wat gaan drinken, vraagt hij altijd belangstellend wie er nog leeft en wie niet. Ik heb nog één ander souvenir bewaard: een zweep met aan het eind een roterend vleesmesje dat ik bij een ustaca heb gevonden.”

“De ervaring uit de Eerste en de Tweede Wereldoorlog leert dat het voor een sluipschutter normaal is om gemiddeld vier man per maand te doden. Alles wat je meer raakt is een plus. In deze oorlog ligt het gemiddelde veel hoger. In 1992 was ik vaak in een slechte stemming omdat mijn neef bij een Kroatische granaataanval was gesneuveld. Toen heb ik er veel gepakt - tien op een dag was geen uitzondering - maar later dacht ik: of ik er nu één of honderd neerschiet, hem krijg ik er niet meer voor terug. Ik weet precies hoe veel ik er tot nu toe in totaal heb geraakt, maar dat vertel ik aan niemand. Het loopt in ieder geval wel in de honderden, schrijf maar op wat je wilt. Ik ben nu zo ervaren dat ik bijna altijd raak schiet. Maar het gekke is dat ik ook blij ben als ik mis. Dan denk ik: misschien wachten zijn kinderen wel op hem of was hij net met verlof op weg naar huis.

“Ik probeer normaal te blijven. Iedere oorlog heeft een einde en ik moet toch verder leven. Als ik met verlof ben, wil ik niets meer van de oorlog weten. Ik wil alleen maar drinken, roken, eten, tv kijken en bij mijn vriendin zijn. De eerste paar dagen na een actie ben ik totaal gespannen, als een veer, en 's nachts kan ik vaak niet slapen.

“Je wilt natuurlijk weten of ik ook op kinderen en bejaarden schiet. Maar dat weiger ik. Ik heb collega's die het wel doen. Wij sluipschutters zijn de vrije jongens van het leger. Onze handen zijn ongebonden, er is geen rechtspraak, geen gezag. Maar ik vind het ziek om zoiets te doen. Ik heb veel dode burgers gezien, vrouwen en kinderen. Iemand die zoiets op zijn geweten heeft, zo'n vuile mujahedeen, die schiet ik met groot plezier dood.

“Ik zal nooit meer kunnen reizen. Want de internationale conventies erkennen ons sluipschutters niet. Wij mogen standrechtelijk geëxecuteerd worden, wij hebben geen recht op een proces. Natuurlijk is mijn werk smerig. Want je schiet op iemand die van niets weet. Maar voor de moraal zijn onze acties heel belangrijk. Wanneer de sluipschutter van de vijand er van onze groep bijvoorbeeld drie neerknalt, dan is iedereen uit zijn gewone doen, uit angst voor het onbekende. Ik kan niet zeggen dat ik het met plezier doe, maar van de honderd man moet er één een sluipschutter zijn. In onze groep ben ik dat, daar ben ik nu eenmaal voor opgeleid. En dat is mijn lot.”

    • Alfred van Cleef