Wapenbroeders; Verhalen van het Servisch-Bosnische front; De russische huurling; 'Alleen de oorlog spreekt de waarheid'

De jeep, een Opel 4 x 4, breekt de ijskorsten en kruipt door de sneeuw omhoog de bergen in. In Sarajevo betekent dat: naar de Serviërs. Maar eerst moeten we de brug Broederschap en Eenheid over de Miljacka over. Aan de ene kant de Russische troepen van Unprofor, daarachter Servische milities, aan de andere kant de Franse Unprofor en vervolgens de Bosnische moslims. De brug is van niemand, maar in het midden is een geel lint gespannen. Al voeren hier zowel de Russen als de Fransen de VN-vlag, ze bevinden zich aan verschillende kanten van de barricades. Zonder speciale toestemming mag deze grens niet worden overschreden.

“Broertjes!” zeggen de Serviërs en steken drie vingers naar de twee Russische huurlingen omhoog. Waarna we in Pale (de tijdelijke hoofdstad van de Servische republiek, niet ver van Sarajevo) arriveren, in hotel Bistrica.

Het is onmogelijk precies vast te stellen hoeveel vrijwilligers uit Rusland in ex-Joegoslavië vechten en hebben gevochten. In Bosnië waren het over de afgelopen twee jaar ongeveer honderd man (Russische kozakken niet meegerekend). Van hen zijn er negentien gedood en vierendertig gewond geraakt. Tegenwoordig sluiten Russische huurlingen in het Servische leger een contract voor honderd mark per maand. Bij sterfgevallen wordt een bedrag van duizend mark uitgekeerd, inclusief de kosten van transport naar Rusland van het lichaam. Ter vergelijking: Heineken-bier kost in Sarajevo dertig mark. In Pale kost een granaat van het type Limonka' vijftig mark. Een Kalasjnikov kost honderd tot honderdvijftig mark.

Valera Bykov (31) is ex-officier van het voormalige Sovjetleger. Hij heeft in Estland gediend, bij de luchtverdediging. In een regiment dat na de landing van het vliegtuigje met Matthias Rust op het Rode Plein de symbolische naam 'Rust' kreeg. Je kan niet zeggen dat Valera veel rookt; hij rookt onophoudelijk. Hij drinkt alleen bier en zal misschien nog weleens met een Servische trouwen.

De ander heet Jan Sviderski en is 36 jaar geleden geboren in Gagra (Abchazië). “Voor het kwaad geboren”, zoals hij zelf zegt. Opgegroeid in een kindertehuis. Zijn ouders, emigranten uit Polen, zijn doodgemarteld, “ik geloof door de KGB”. Hij bracht het toch nog tot officier: “Toen dat gesodemieter met die perestrojka begon, en dat geknok om onafhankelijkheid, had ik net in het leger de verkennersopleiding gedaan en werkte ik voor het Bureau verkenning en informatie in Gagra. Hij maakte voor het eerst met de oorlog kennis in Ossetië, als infiltrant in het Russische vrijwilligersleger: “Ik zat bij een sabotagegroep. Profiel: 'jager', ofwel sluipschutter. Zoals een journalist een verhaal zoekt dat de moeite waard is om te vertellen, zoekt een jager een beest dat de moeite waard is om te doden.

“Hier is die oorlog al net zo'n stront als in Georgië: de politici spelen hun spelletjes en wij zijn de lul. Ik zeg: geef me werk. Zeggen zij: nee. Schijnt er een wapenstilstand te zijn. Misschien ga ik wel op vrije jacht, dat is rustiger...”

Valera Bykov: “Ik ben hier al bijna twee jaar. Ik heb de taal geleerd, ben Servisch staatsburger geworden. Ze hebben me een huis in Visegrad gegeven. De inwoners hebben meubels voor me ingezameld. Ik wil hier wonen, snap je? In Bosnië hebben ze mijn kaak doormidden geschoten, ik heb hier vrienden begraven. Komt hij aanzetten: 'Ha, een landgenoot! O, Valera, help me, haal me bij het leger, jij bent hier een autoriteit, jou kent iedereen. Zeg maar wie ik moet afmaken, geen probleem.' Tja, hier is het met vrienden als met je ouders: je hebt ze niet voor het kiezen...

Op dit moment, achter een biertje in deze bar vol Servische soldaten, wil Valera liever over Rusland praten - dat onwaarschijnlijke land dat zijn hoop de bodem heeft ingeslagen, hem heeft bedrogen, hem tot een mislukkeling heeft gemaakt en uitgestoten.

“Ik heb altijd een militair willen zijn. Dat is een jongensdroom van me. Mijn overgrootvader, een edelman uit Tsjernigov, vocht in het Russische leger ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, die overigens in ditzelfde Servië is begonnen. En ik was bij de Sovjettroepen politiek medewerker, secretaris van de komsomol-organisatie, communist.

“Maar het is zo gelopen, dat ik in 1989 genoodzaakt was het leger te verlaten wegens mijn gezondheidstoestand en diensttijdverkorting. God weet dat ik geen ontslag wilde, ik wilde een militair zijn. Ik heb altijd gehandeld naar mijn geweten en mijn eer van officier en staatsburger. Dat was een van de redenen voor mijn ontslag uit het leger, waar de dronkenschap en de schijnheilige soldatenlef welig tierden. Voor hen was ik altijd een liefhebber van de waarheid en een zoeker naar rechtvaardigheid. Jij weet ook wel hoe het mensen zoals ik in zwak ontwikkelde landen vergaat, in landen waar ze houden van stelen en revolutie maken. Van mensen als ik moeten ze daar niets hebben, die worden weggewerkt. Ik werd aldoor overgeplaatst, toen uit de partij gezet en ten slotte ontslagen.”

In 1992 belandde Valera Bykov in Pridnjestrovje, de van Moldavië afgescheiden Russische Dnjenstr-republiek. Als voormalig officier van het Sovjetleger kreeg hij een compagnie onder zich. “Daarmee trok ik ten strijde en ik voelde dat ik eindelijk ergens nodig was, dat ook mijn leven ergens toe diende. Ik leidde een aanval, ik was gelukkig, hoewel ik wist dat ik mijn mensen de dood in stuurde. Maar ik begreep dat de oorlog de mensen dwingt bewust te sterven. Ik was gelukkig, zelfs als ik na een gevecht de soldaten hun bebloede bajonetten aan hun laarzen zag afvegen. Alleen de oorlog, alleen het reële gevecht spreekt de waarheid: je zult sterven!

“De oorlog in Pridnjestrovje werd beëindigd. Ik zat weer met lege handen. Een militair moet vechten. Ik ging op zoek naar ronselaars voor Joegoslavië. Toevallig leerde ik Beljajev kennen, die in Petersburg in de gemeenteraad zat. Hij vroeg naar mijn opvattingen. Ik antwoordde kortweg: 'Ik ben Russisch nationalist.' Daar was ik in Estland achtergekomen, waar ze bij de Sovjet-officieren de ruiten ingooiden en 'Russen rot op!' schreeuwden. Ik ben nationalist geworden omdat ik een hekel heb aan nationalisme. Maar tegen Beljajev kon je dat niet zeggen, daar was hij te dom voor. Toch heeft hij me in contact gebracht met Jaroslav Jastrebov, een ronselaar uit Moskou, een vriend van het Servische volk. Die heeft mijn vertrek naar Joegoslavië georganiseerd. Hij beloofde ook dat hij me zou betalen. Ik kwam in Belgrado aan als arbeider, zogenaamd om een brug over een of andere rivier te helpen bouwen, hoewel op de Joegoslavische ambassade in Moskou iedereen wist dat ik ging vechten. Mijn 'vermomming' diende alleen om hen in te dekken tegen een eventueel schandaal.

“Ik werd afgehaald door twee Serviërs, ik zal geen namen noemen, en die brachten me direct naar het front in Bosnië, naar de gevechten bij Visegrad. De Serviërs wilden de stad al opgeven, maar toen kwamen er twee Russische jongens bij. Dat zagen ze als een teken uit het hogere: 'De Russen komen!' Maar meer Russen kwamen er niet. Pas later kwamen er nog drie man bij en vormden wij ons eigen detachement. Kort daarop arriveerde Jastrebov, die een commandant aanwees. Hij praatte veel en probeerde ons te stimuleren om patriotten te zijn voor de broedervolken Rusland en Servië.

“Geld kregen we helemaal niet, hoewel er 20 D-mark per maand was beloofd. Het mechanisme is eenvoudig: rijke Serviërs financieren de aanwezigheid van vrijwilligers uit Rusland en betalen aan lieden als Jastrebov, maar wij zien er geen duit van. We zijn geen huurlingen, we zijn slaven. Er zijn er veel hier die jacht maken op Jastrebov en hem graag de schedel zouden inslaan. Maar ik had er lak aan, omdat ik meteen al had begrepen dat hier de ene helft bestaat uit stomkoppen en de andere helft uit criminelen. Je kunt in wapens handelen, je kunt ook in voormalige Sovjet-soldaten handelen. Er zijn killers bij die gezocht worden door de Russische regering of zelfs door Interpol. Maar hier zijn het helden.”

Jan Sviderski kondigt een 'treurige geschiedenis' aan, van het Bosnische front: “In december '92 gooiden de Serviërs ons Russische detachement 'voor de tanks', tussen twee moslim-stellingen in. Sasja, onze commandant, had één gebrek: hij was banger voor zijn superieuren dan voor de moslims. Wij wisten dat we er beroerd voor stonden, maar ze hadden gezegd dat het moest. En wij gingen in de aanval. En vielen vrijwel meteen in een hinderlaag. Andrej was in één keer dood. Igor zwaar gewond. Wij, die over waren, werden woest. We vuurden naar beide kanten en keken niet op een patroontje meer of minder. Maar het haalde weinig uit.

“Toen we weer bij zinnen kwamen, waren de patronen bijna op, we hadden alleen nog granaten en Sasja had een pistool. We splitsten ons in twee groepen: wij drieën met de gewonde Igor en zij, vier man, met de dode Andrej. Door het dichte bos dat je bij Nezuce hebt probeerden we de brug over de Dvina te bereiken. We kwamen het bos uit en er bleek gevochten te worden: de Serviërs hadden de moslims naar het dal gejaagd waar wij ook waren en hielden ze onder spervuur. Wij weer het bos in. We liepen zo een kilometer, tot ik iemand tussen de struiken zag liggen. Ik kroop erheen en geloofde mijn ogen niet: Andrej. De andere groep had hem achtergelaten. De hufters, ze hadden zelfs zijn laarzen meegenomen.

“Wij groeven met onze messen een kuil voor Andrej. Ik had tenslotte zijn moeder nog gekend. Daarna hebben we nog twintig uur door die bossen gezworven, we probeerden door te breken naar de Serviërs, die er toch nog in slaagden de moslims uit dat vervloekte dal te verdrijven. Toen we ze bereikt hadden was Igor al bewusteloos. We zeulden hem mee op onze schouders en riepen: niet schieten, broertjes, wij zijn Russen, Slaven!

“Ik ben niet meer teruggegaan om Andrej op te graven. Ik kon het niet. Ik was hysterisch: ik kon alleen nog maar janken en aarde eten. Ik geef niets meer voor die Servisch-Russische solidariteit.”

    • Oleg Klimov
    • Anne Stoffel