Verzoeningspogingen op papier

Nederlands-Indië leeft in de collectieve herinnering voort als een paradijs van vrede en rust met een onwrikbare sociale hiërarchie: de Nederlanders wonend in witte villa's, de inheemse bedienden toekijkend uit de bijgebouwen op het achtererf. Hoe verwrongen dit beeld ook mag zijn, het leidt een hardnekkig bestaan.

Liesbeth Dolk: Twee zielen, twee gedachten. Tijdschriften en intellectuelen op Java (1900-1957) 217 blz., KITLV Uitgeverij 1993, ƒ 45,-

Inzicht ontstaat vaak laat, eerst moeten jaren verstrijken. Het is of men van dichtbij niet kan overzien wat van afstand zonneklaar is. Voor de geschiedschrijving van het voormalige Nederlands-Indië geldt deze noodzaak tot distantie in sterke mate. Tijdens de Nederlandse overheersing van de archipel was het min of meer vanzelfsprekend dat de blanken het leidsel namen. Ze maakten de intellectuele elite uit, ze vormden een minderheid die een ontzagwekkende meerderheid bestuurde.

Voor de geschiedschrijver van nu, zeker wanneer die na de Tweede Wereldoorlog is geboren, is deze vanzelfsprekendheid goedbeschouwd iets onvoorstelbaars. Het beeld van Nederlands-Indië zoals dat oprijst uit boeken en foto's daterend van vóór de soevereiniteitsoverdracht in 1949 is ogenschijnlijk van een majesteitelijke vrede en kalmte. Tegelijkertijd is er sprake van een onwrikbare hiërarchie, met de inheemse bevolking als onderlaag en de blanken als onaantastbare bovenlaag. Resideerden de Nederlanders in witte weidse, ietwat plompe villa's, de bedienden keken toe uit de bijgebouwen op het achtererf. Hoe overtrokken dit beeld ook mag zijn, het leidt een hardnekkig bestaan. De generatie van 'toen' en 'eertijds' klampt zich eraan vast, zelfs tegen beter weten in. Eén bezoek aan de jaarlijkse Pasar Malam in Den Haag is hiervan het doorslaggevende bewijs: nostalgiek geschuifel in wolken van kruidige etensgeuren langs Indische parafernalia.

Maar 'eertijds' was er in Indië meer aan de hand dan hedendaags heimwee doet vermoeden. Als we ervan uitgaan dat de Nederlanders het niet alleen hadden over geld verdienen, het bezoek aan de sociëteit en over het opgebouwde pensioentje waarvan ze na terugkeer in Holland een huis konden betrekken in Loenen aan de Vecht of Blaricum - waar gingen de gesprekken dan wèl over?

Dat is natuurlijk nooit te achterhalen. De stemmen die op de veranda, het 'platje', klonken zijn verdwenen in de mist van de tijd. De invalshoek van de oral history is bij voorbaat uitgesloten. Toch zijn er voldoende andere bronnen, vooral die van het geschreven woord zoals we die kunnen aanboren in de tijdschriften.

De Neerlandica Liesbeth Dolk, in 1954 geboren, geeft in haar proefschrift Twee zielen, twee gedachten een weergave van wat er zoal leefde aan ideeën, polemiek, cultuurpolitiek, literatuur en koloniale politiek in de culturele tijdschriften die op Java verschenen tussen 1900 en 1957. Tijdschriften beschouwt ze als de chroniqueurs van de geschiedenis, zo ongeveer als Shakespeare de toneelspelers zag. Ze stelt in haar 'Inleiding': “Tijdschriften vormen (...) een uitstekende bron van informatie omdat zij een directe neerslag zijn van wat er in een bepaalde periode aan (literaire) denkbeelden bestaat, ze 'schrijven hun tijd' en geven zo een beeld van de tijd waarin ze verschijnen.”

Ze waren er volop, tijdschriften in Indië en Indonesië. Zo'n achtentachtig zijn er tussen 1900 en 1966, met uitzondering van de Japanse bezettingsjaren, geïnventariseerd. Iedereen die pleitte voor iets of een ideaal, die van zich wilde laten horen of een koloniaal debat wenste te entameren richtte een tijdschrift op. Sommige periodieken brachten het niet verder dan een paar nummers, nauwelijks een jaargang vol. Het beroemdste voorbeeld hiervan is Noesantara, het tijdschrift waarvoor Du Perron in 1938 de prospectus schreef. Wat hierin staat, laat zich lezen als een intentieverklaring voor tal van andere Nederlands-Indische tijdschriften. Du Perron: “Al geruime tijd leeft hier te lande de behoefte aan een tijdschrift, waarin het zich hier steeds meer ontwikkelende cultureel leven (zich) kan uiten. (...) Reeds hebben de plannen nadere vorm aangenomen om tot uitgave te geraken van zoo'n tijdschrift, dat haar kolommen evenzeer openstelt voor uitingen van Westersche als van Oostersche cultuur, dat een wegwijzer wil zijn voor die Inheemsche kringen, waar de wensch leeft naar een beter verstaan van Europeesche cultuurwaarden.”

Opvallend is de Euro-centrische benaderingswijze van Du Perron, en niet van hem alleen. Ook de door Liesbeth Dolk uitvoerig beschreven, belangrijke periodieken als De Fakkel (1940-1942), Opbouw-Pembinaan (1947) en Oriëntatie (1947-1954) muntten uit door, wederom, de vanzelfsprekendheid van de blanke superioriteit. Aanvankelijk zou bijvoorbeeld 'De Fakkel' een 'Indonesië-centrisch' tijdschrift worden, maar goedbeschouwd was het blad 'Indië-centrisch': de nadruk lag duidelijk op het Westerse cultuur- en geestesleven, dat 'in gelukkiger dagen uit het moederland naar Nederlandsch-Indië vlood'. Dat het ooit zover zou komen dat de kolonie géén Nederlandse kolonie meer was, en dus niet langer aanspraak kon en vooral wilde maken op het epitheton 'tropisch Nederland', werd door geen der redactieleden van al die tijdschriften voorzien. Het waren voornamelijk nette heren, beschaafd-kalmpjes progressief. Al bepleitten ze het nationalisme, voetstoots namen ze aan dat elke Indische burger zich burger zou moeten voelen van 'dit, ons eigen land'. Met de koningin als leidsvrouwe en de oranjevlag als symbool van vrijheid, vrede en recht. Indië dus als variant op de Nederlandse cultuur; een Indië dat altijd zo moest blijven en heten, en geen Indonesië worden.

'Twee zielen, twee gedachten' beslaat de tijd tussen 1900 en 1957. Aan het begin van deze eeuw ontstond de 'ethische richting', waarvan de aanhangers de onafhankelijkheid van de kolonie wilden bespoedigen. Zowel Europeanen als veelal geschoolde inlanders behoorden daartoe. Dat het nationalistische gevoel uiteindelijk tot definitieve autonomie leidde onder president Soekarno en Hatta had geen enkele intellectueel verwacht. Misschien nog radicaler dan de soevereiniteitsoverdracht was het besluit dat acht jaar later viel: in december 1957 moesten alle nog aanwezige Nederlanders, zo'n 45.000, het land verlaten. Alle bedrijven werden opgeëist door de Indonesische Republiek. Maar in hoeverre heeft het ethische debat, waarvan de nationalisatie een onmiddellijk gevolg is, zich daadwerkelijk in de tijdschriften afgespeeld? Wat waren de argumenten vóór en tégen? Wie vloog de ander in de haren en met welke stijlmiddelen? Vormde de strijd in de tijdschriften naar felheid, ruimdenkendheid en geborneerdheid een afspiegeling van wat er zoal aan de bitter- of duizend-gulden tafel in de soos te berde werd gebracht? Hoe leefde de gemiddelde intellectueel, Hollands en Indonesisch, met de tijdschriften? Dat het allemaal begonnen is met Multatuli's Max Havelaar lijkt me aannemelijk. Dat Multatuli de 'katalysator' was van het streven naar onafhankelijkheid kan niemand weerleggen. Maar gonsde en gistte het in de tijdschriften? Uit het proefschrift van Liesbeth Dolk is dat moeilijk op te maken.

Een sterk punt in haar betoog is de nadruk die ze legt op de dubbele moraal die de hoger opgeleide Indonesiër tegenover de Europeaan in acht neemt. Westers onderwijs gaf hem de gelegenheid zich een maatschappelijk aanzien te verwerven. Anderzijds was het verre van logisch dat de Indonesische intellectueel ook een 'politieke' intellectueel werd, die voorbestemd was de plaats over te nemen van de Europeaan. Zo bleef de inlander altijd verankerd in zijn afkomst, al was hij naar opleiding de gelijke van de kolonisator. Aan het feit dat er in Nederlands-Indië een overheerser was en een overheerste, dat er altijd sprake was van straffe koloniale verhoudingen, viel niet te tornen.

Liesbeth Dolk stelt terecht: “Die aanvaarding van westerse normen en waarden en tegelijk het verzet tegen de principiële ongelijkheid en voortdurende dominantie, plaatste Indonesische intellectuelen in een innerlijke conflictsituatie en veroorzaakte bij velen een 'partial transformation of the self'. Ze voelden weerstand tegen de koloniale overheerser maar gingen ook persoonlijke vriendschappen met hen aan; (...) ze voelden eerbied voor de eigen traditionele waarden en tegelijkertijd ontzag voor de westerse waarden en normen, de rationaliteit en vitaliteit, voor de westerse culturele produkten en voor de vooruitgang die door westerse technieken teweeg was gebracht. Verzet en aanvaarding, aanvaarding en verzet.”

Met instemming citeert ze de arts Soebandrio in een brief uit 1947 aan zijn Nederlandse vriend H.M. van Randwijk, toen hoofdredacteur van het weekblad Vrij Nederland: “Ik wil niet hebben dat mijn kinderen hetzelfde zullen lijden als hun ouders. Het gevoel van dubbel bewustzijn, jezelf te bekijken door een bril van een blanke, met al de innerlijke conflicten die eraan verbonden zijn. Twee zielen, twee gedachten in één persoon.”

Aan het slot van het boek keert Dolk terug naar het in de titel verwoorde pessimisme. Bij monde van Rob Nieuwenhuys, de vroegere redactiesecretaris van het tijdschrift 'Oriëntatie', laat ze de lezer met een verontrustende conclusie achter: “Terugkijkend op zijn 'Oriëntatie'-tijd moet ook Nieuwenhuys constateren: 'Ik weet nu dat ik in een illusie heb geleefd. Ik ben progressief geweest, maar wat ben ik dat vanuit westers standpunt geweest. Onze contacten waren toch eigenlijk westerse contacten'. En over zijn poging om in 'Oriëntatie' twee groepen bij elkaar te brengen en samen een gemeenschappelijk vaderland op te bouwen: 'Dat je dat allemaal hebt kunnen bedenken. Ik begrijp er nu niets meer van'.” In dit citaat, opgetekend in augustus 1988, schuilt iets van een drama. Dit is het late, pijnlijke inzicht waartoe Nieuwenhuys meer dan dertig jaar na het laatste nummer van het tijdschrift moest komen.

De verhouding tussen Nederland en Indonesië was er niet een van koloniaal 'oud zeer' sinds eeuwen. Ze was er vooral een van vergeefse pogingen om van twee zielen één te maken, om van een gespleten vaderland waarin een overheersende klasse torende boven een overheerste, één vaderland te maken. Koesterde Du Perron met zijn 'Noesantara' geen valse hoop? Leefde de redactie van 'Oriëntatie' niet in een ijle, onwerkelijke illusie? Hoe gedegen en gedetailleerd de beschrijving van de tijdschriften door Liesbeth Dolk ook is, in het boek ontbreekt de harde brutale kern.

Na lezing van 'Twee zielen, twee gedachten' leken de tijdschriften me opeens van een immense, goedbedoelde saaiheid. Vooral niemand tegen je in het harnas jagen, zou het motto kunnen luiden. Zowel de kool als de geit sparen. De intellectuele gedachtenwisseling reikte niet verder dan dat de scribenten Nederlands-Indië voorzichtig, met paternalistische hand duwden in nationalistische richting. Uit wetenschappelijk oogpunt is de beperking die Liesbeth Dolk zich oplegt verantwoord, uit het perspectief van geschiedschrijving als weergave van individuele lotgevallen allesbehalve.

Felle, nietsontziende auteurs als Willem Walraven en Tjalie Robinson (pseudoniem van Jan Boon) komen te weinig aan bod. Beiden waren bij uitstek schrijvers van brieven. Ze namen geen blad voor de mond. Eén citaat van Walraven uit een brief van 1939 aan zijn zuster vertelt mij meer dan heel wat hoogdravend geschrijf over het lot van de Javaan, waar de kolonist zich uiteindelijk weinig of niets van aantrok: “In Indië stelt niemand ergens belang in, behalve in geld en promotie en standophouden en roddelen. Wij zijn hier eigenlijk allemaal vreemd aan elkaar, samengeworpen in een soort smeltkroes van standen en rassen, maar we hebben feitelijk niets gemeen, wij kennen elkaar niet, alleen van buiten, wij hooren niet bij elkaar. Maar wij komen elkaar toch elk oogenblik tegen, en moeten dus met elkaar omgaan. (...) Plotseling gaan ze weg, naar een andere plaats of naar Holland, en je hoort nooit meer wat van hun. Dat zijn dan je 'vrienden' geweest. Volkomen vreemden zijn het natuurlijk.” In deze woorden ligt een grote oprechtheid besloten. En geen mooidoenerij.

Op 18 mei 1955 schreef Tjalie Robinson in een niet eerder gepubliceerde brief aan Maria Dermoût: “Wij zijn gehangenen in Europa. Wij waren gehangenen in het Oosten. Ik wil niet gehangen zijn.” Robinson woont dan al enige tijd tot zijn grote verdriet en radeloosheid als 'Indo' in Nederland. Volgens Robinson verschilt het Europese denken 'op zijn minst een graad, soms wel 180 graden' van het Indische denken en voelen. Heeft de blanke in Indië ooit de deur werkelijk naar de tropen opengezet? vraagt hij zich ontsteld af.

Hier, in deze twee korte passages, schuilt meer waarheid en vechtlust, meer inzicht dat pijn doet en visie, dan in alle tijdschriftkolommen bij elkaar. Toen in november 1940 het eerste nummer van 'De Fakkel' verscheen, dweepte de redactie in haar voorwoord met de volgende hooggestemde gedachten: “Verdraagzaamheid, die het onvervaard getuigenis voor eigen overtuigen en de vastheid in eigen beginsel niet aantast, doch ten aanzien van anderer standpunt en richting den eerbied vordert, zonder welken de strijd der geesten in vrijheid en rechtschapenheid niet mogelijk is.” Eigenlijk staat er dat het tijdschrift de voortzetting wil zijn van de beste tradities van 'den Nederlandschen geest', met alle Euro-centrische gevolgen van dien.

De werkelijke beschrijving van de dilemma's die Nederlands-Indië beheersten is feller en dramatischer in de brieven van openhartige, polemische geesten als Walraven en Robinson dan ze in de tijdschriften was - om de eenvoudige reden dat aan elke tijdschriftredacteur en aan elk tijdschrift iets kleefde van zelfbewieroking. Dat gevaar is in 'Twee zielen, twee gedachten' niet onderkend.

    • Kester Freriks
    • Medewerker van Nrc Handelsblad