Verkrampt voetbal bij toernooi om Afrika Cup; Europese spelopvatting funest voor spontaniteit van Afrikaanse balkunstenaars

ROTTERDAM, 9 APRIL. The Black Stars, the Elephants, the Lions, the Leopards, the Eagles en the Super Eagles. Zo zouden jongens op straat hun partijtje kunnen noemen. Zo laten de voetbalelftallen van respectievelijk Ghana, Ivoorkust, Senegal, Zaïre, Mali en Nigeria zich noemen. Ze zouden willen voetballen als jongens op straat, misschien zelfs blootsvoets. Maar ze mogen niet meer. Hun voetbal vergt aanpassing.

Zo balvaardig als ze zijn als hun onbezorgdheid nog ruimte laat voor de tierlantijnen waarvoor de echte liefhebber naar het stadion komt, zo verkrampt voetballen ze dezer dagen tijdens het toernooi om de African Cup of Nations in Tunesië. Het is soms aandoenlijk deze voetballers, die zo zijn opgehemeld over hun voetbalkunsten, te zien schutteren. Voor het oog van de wereld en van hun wanhopige trainers, Europese trainers of in Europa geschoolde trainers met hun boekje voetbaltactieken in de hand.

Fraaie, zelden vertoonde staaltjes worden nog wel vertoond. Zoals atletische hoogstandjes van verdedigers die de bal met de voet uit de bovenhoek halen. Maar het zijn niet meer dan wanhoopspogingen en wanhoopssprongen. Na elke actie worden de ogen in hoop en vrees gericht op de trainer. Wat hij er van vindt. Zoals in Europa, waar het gezag van de trainer en zijn systeem de basis moet vormen voor succes.

Ze draven wel eens in hun spontaniteit de verkeerde kant op, ze struikelen wel eens over de bal, ze plaatsen de bal verkeerd en schieten de bal van onmogelijke afstanden en uit onmogelijke standen op doel. Spontane combinaties sterven in schoonheid. Hemeltergend zijn hun acties soms, maar wel menselijk. Het spel is in elk geval onvoorspelbaar, niet volgens tactische dwangbuizen. Gewoon voetbal als een spel, niet als een produkt.

Europese trainers die in Tunesië aanwezig zijn, halen hun schouders op over de Afrikaanse voetbalkwaliteiten. Voor een enkele individualist die nog te 'vormen' lijkt, bestaat wel belangstelling. Maar meestal blijkt die al in Europa te spelen. De meesten voetballen er al. Volgens de laatste statistieken van de wereldvoetbalbond spelen al 234 Afrikanen in Europa, waarvan 70 in Frankrijk, 68 in België, 19 in Duitsland en 77 in de rest van Europa. De anderen willen volgen. Ze beseffen dat ze volgens een Europees stramien moeten leren voetballen.

Afrikaanse voetballers zijn sinds de verfrissende prestaties van Kameroen op het wereldkampioenschap van 1990 overal in trek. Afrikaanse voetballers zijn goedkoop en zij helpen in het verarmde Europese voetbal het gebrek aan geschikte aanvallers opvangen. Want zij hebben doorgaans een goede techniek; ze zijn balvaardig, snel en beweeglijk.

De Afrikaanse verantwoordelijken verzetten zich niet tegen de uittocht van voetballers op voorwaarde dat ze niet te jong zijn. Nu worden soms al veertienjarigen meegetroond naar grote Europese clubs om in internaten zogenaamd geïntegreerd te raken. De Afrikaanse voetballeiders achten het niet wenselijk dat een jonge speler uit zijn familieverband wordt gelicht en vrezen dat hij in een vreemde omgeving zijn natuurlijk talent zal verliezen.

Gewezen wordt naar de Ghanees Lamptey, eens de beste speler op het WK voor de jeugd, die sinds zijn komst als zestienjarige bij Anderlecht en nu PSV stuk is gegaan. Gevreesd wordt voor de Nigerianen die in september wereldkampioen bij de jeugd werden, voor jongens als Kanu, die op z'n zeventiende al bij Ajax speelt, ver weg van Owerrie in Oost-Nigeria.

Er wordt aan de Europeanen getrokken wanneer het toernooi om het Afrikaanse kampioenschap nadert. Volgens de richtlijnen van de wereldvoetbalbond moeten ze door de clubs worden vrijgegeven voor wedstrijden van het nationale elftal. Maar van harte gaat de vrijgave niet. Commerciële belangen en de zogenaamde reputatie van de club staan op het spel. En eigenlijk willen de spelers ook niet meer. Waar het geld rolt, ligt de toekomst.

Nigerianen als Finidi, Amokachi, Okocha, Ikpeba en Yekini zijn prachtige voetballers, maar in Tunis schitterden ze zelden. Misschien deze zomer op het WK in de Verenigde Staten. Wanneer Nwanu van Anderlecht en Kanu van Ajax er waarschijnlijk ook bij zijn. Ze maken een vermoeide, lusteloze, soms hulpeloze indruk.

Hoe hun trainer, de Nederlander Westerhof, ook stuurt en schreeuwt, fraai is het allemaal niet. Ze moeten volgens een bepaald 'concept' spelen, verdedigend, 'op de counter'. Om de 32-jarige peetvader en bemiddelaar in buitenlandse voetbalzaken van de Nigerianen, libero Stephen Keshi (hij speelde sinds augustus toen hij werd ontslagen bij het Belgische RWDM niet meer voor een club), in de verdediging niet te veel te belasten. Het is niet om aan te zien, voetballers die tegen hun natuur in spelen.

'Jay-Jay' Okocha en Rashidi Yekini spreken wel tot de verbeelding. Maar dat is niet nieuw. De wispelturige Okocha laat bij Eintracht Frankfurt regelmatig acties zien waar een Europeaan zijn benen bij breekt. En Yekini scoort bij Vitoria Setubal net als in Tunesië veel. Deze 30-jarige reus was in 1993 Afrikaans voetballer van het jaar. In het Nigeriaanse elftal scoorde hij in de laatste twintig wedstrijden 36 keer.

Lichtpuntjes zijn het. Zoals Kees Rijvers, scout voor PSV en de man die als bondscoach eens vond dat Nederland Braziliaans moest gaan spelen, ze zag. Tegenover de Belgisch/Nederlandse pers zei hij: “Ik zag al heel wat mooie bewegingen. Maar ze gaan me helaas net iets te veel Europees spelen. Dat berekende verlamt het voetbal dat blijkbaar een te grote business is geworden om de technische kwaliteiten te laten gedijen.”

Ook in Afrika gaat het tegenwoordig om geld en macht, weet Rijvers. “Steeds weer komen er in diverse bonden en regeringen mensen aan het bewind die via het voetbal in korte tijd naam, gezag en geld willen afdwingen. Dat geldt ook voor veel trainers die hier komen werken. Resultaat op korte termijn is wat telt. Naar de ontwikkeling van het voetbal in een land wordt niet gekeken.”