Van Heutsz

De gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië was een machtig man. Voor de Maleis sprekende gewone man was hij een tuan besar. Bij zijn installatie in Buitenzorg werd hij op een officiële intocht in een gala-rijtuig onthaald en ook daarna voerde hij een grote staat die met pracht en praal was versierd.

Den Haag daarentegen had geen oog voor duur decorum en liet de landvoogd soms jaren achtereen op een houtje bijten. Soms moest de Heer van Buitenzorg het onderhoud van zijn uiterlijke waardigheid uit eigen zak betalen. Als hij daartoe niet bereid of in staat was, moest hij toezien dat zijn staat begon te rafelen.

In het begin van de jaren dertig was die verwaarlozing van de landvoogdij zo zichtbaar geworden dat het de toen net benoemde gouverneur-generaal jhr. De Jonge te gortig werd. Hij dreigde het gala-rijtuig door een auto te vervangen als hij het publiek nog langer op die 'sjofele vertoning' moest tracteren. “In de bekleding van het galarijtuig zit de mot. De spatborden zijn haveloos en de tuigen zijn slecht”, aldus de landvoogd in een brief aan de verantwoordelijke minister van koloniën. Dat klagen hielp dan even, maar nooit lang, want de Haagse ambtenaren die over de begroting regeerden hadden in het algemeen weinig begrip voor de noden van de landvoogd, nog daargelaten dat ze het verre rijk overzee doorgaans niet uit eigen aanschouwen kenden.

De landvoogd in Buitenzorg en de minister in Den Haag zagen elkaar zelden. Vrijwel alle overleg over het beleid in het onmetelijke eilandenrijk speelde zich schriftelijk af. Soms schreven landvoogd en minister elkaar dagelijks, soms wekelijks, maar lang niet alles wat ze elkaar schreven was officiële correspondentie.

De historicus G. Puchinger, die de briefwisseling tussen Buitenzorg en Den Haag van het begin van deze eeuw tot de soevereiniteitsoverdracht in 1949 heeft uitgegeven (Landvoogd en Minister, J.J. Groen en Zoon, Leiden 1993), heeft een groot aantal geheime nissen in die correspondentie ontdekt, officiële brieven die als 'particuliere post' buiten de boeken werden gehouden. Van Heutsz en Idenburg (de laatste was meer dan eens minister en twee keer landvoogd) deden heel wat in hun brieven af waar ze hun ambtenaren bewust onkundig van lieten.

Zelfs de notawisseling over zoiets essentieels als het koloniaal beleid in de nadagen van de Atjeh-oorlog ging buiten het ambtelijk apparaat om. Idenburg liet de stukken alleen aan koningin Wilhelmina lezen, maar het beleid vond hij een zaak die in principe alleen hem en de landvoogd aanging. Idenburg schreef eenvoudig: “Ik acht het niet wenschelijk dat de stukken daar bekend worden.” Het primaat van de politiek was nog zo'n onbetwist uitgangspunt (en de minister nog zo weinig afhankelijk van zijn 'apparaat'), dat de ambtenaren zich daarin zonder morren schikten. Als ministers dat eens wat vaker zouden doen, zouden ze hun positie tegenover de ambtelijke macht aanzienlijk kunnen versterken.

Puchingers bundel is ook in politiek opzicht hoogst interessant. Er komt onder meer een andere Van Heutsz uit te voorschijn dan de militaire houwdegen die we van de pacificatie van Atjeh en uit zijn brochure De onderwerping van Atjeh (1893) kennen. Van Heutsz dankt daaraan zijn haviksbeeltenis, maar hij had ook een zachtere kant. In de eerste plaats was hij een progressiever bestuurder dan zijn militaire reputatie doet vermoeden, in de tweede plaats kende hij bij al zijn vertoon van krijgshaftigheid ook bescheidenheid. Dat laatste blijkt aan het slot van de briefwisseling waarin de niet-christen Van Heutsz de christen Idenburg zijn respect betuigt, het eerste blijkt vooral uit de stukken over het koloniale beleid. Idenburg was de ethicus en Van Heutsz de pragmaticus, maar ze waren het over de richting van het koloniale beleid in wezen volkomen eens.

In het begin van hun verhouding hadden ze een verschil van mening gehad over de door Den Haag verboden rituele weduwenverbranding in Indië, maar dat was een conflict over methodes, niet over principes. De landvoogd wilde de traditie van de weduwenverbranding met militaire middelen uitroeien (de mensenrechten in feite met geweld afdwingen), terwijl de minister meer voor zachte dwang was. Idenburg probeerde Van Heutsz met een Salomons oordeel aan de teugel te houden. “In niet-zien van dingen die men niet bepaald hoeft te zien, kan ook wel eens wijsheid schuilen.”

Overigens deed de havik in vooruitstrevendheid niet voor de duif onder. Van Heutsz onderschreef ten volle Idenburgs standpunt dat inlanders dezelfde kansen moesten krijgen als de Hollanders voor de functies van districtshoofd en regent. Beiden stelden de inlander als zodanig geenszins lager dan de Europeaan, beiden streefden naar vergroting van de zelfstandigheid der inlanders.

In de omstreden olie-kwestie stond (de bestuurder) Van Heutsz zelfs op een linkser standpunt dan de ethische Idenburg. Hoewel de 'outspoken' landvoogd gemakkelijk uitkwam voor zijn afkeer van 'ethisch gedoe' was hij de oliemaatschappijen die voor de Indische concessies in de rij stonden, veel minder toegenegen dan Idenburg. Van Heutsz was geen voorstander van staatsexploitatie, wel van een groter aandeel voor de staat in de olierevenuen. De winst op de olieproduktie kwam volgens de landvoogd eerder aan de Nederlandse schatkist dan de Koninklijke toe. Voor oliemaatschappijen schreef hij steevast: 'particuliere slampampers'.