Uitslag peilingen stuwt hartslag politici omhoog

Het politieke landschap lijkt volgens de wekelijkse opiniepeilingen drastisch te worden herverkaveld. Maar pas op de avond van 3 mei zal blijken of de opiniepeilers het bij het juiste eind hebben gehad.

AMSTERDAM, 9 APRIL. De wekelijkse opiniepeilingen veroorzaken op het Binnenhof ongekende verkiezingskoorts. Politici, media-strategen en woordvoerders kijken naar de cijfers van de onderzoeksbureau's alsof het de eigen hartslag betreft.

Er is een enorme verzakking in het politieke landschap op komst en de gevolgen zijn ingrijpend. Verdwijnen CDA-lijsttrekker Brinkman en zijn adviseur Wester via de achterdeur van het CDA, is de ooit afgeschreven PvdA-leider Kok bezig met een come back, doet VVD-aanvoerder Bolkestein Wiegel vergeten en kan D66 echt de vierde stroming worden? Alle Haagse zekerheden zijn onzeker geworden, maar ook de reputaties van de opiniepeilers wordt de komende weken weer op de proef gesteld als de prognoses voor de Tweede Kamerverkiezingen op de avond van 2 mei worden gepresenteerd.

De marges tussen CDA, PvdA, VVD en D66 zijn gering, geringer dan de afwijkingsmarge van gemiddeld twee procent die wordt gehanteerd. “Het gaat tussen Kok en Bolkestein”, zegt de directeur van het Nederlands Instituut voor de Publieke Opinie (NIPO), G.C. Schild. “Brinkman zit in een glijdende schaal.” NIPO heeft zes partijen waaronder VVD en CDA tot klant en maakt de prognose aan de vooravond van de verkiezingen bekend bij het tv-programma Twee Vandaag. “Het feit dat de vier partijen zo dicht bij elkaar staan, maakt het tot unieke verkiezingen”, vindt M. de Hond van het bureau Inter/View. Hij heeft bij zeventien verkiezingen peilingen en prognoses gemaakt. CDA, VVD en D66 gaan bij De Hond te rade. Hij maakt na afloop van het lijsttrekkersdebat op 2 mei zijn prognose bij de NOS bekend.

De algemene trend bij deze verkiezingen is duidelijk: massaal verlies voor CDA en PvdA en grote winst voor D66 en VVD. “Het is niet waarschijnlijk dat deze verkiezingen een ander beeld opleveren”, zegt Schild. “Maar als we de verkeerde partij als grootste aanwijzen, hebben de opiniepeilers verloren.” Zo bleek bij de recente gemeenteraadsverkiezingen dat de landelijke trend niet geheel overeenkwam met de feitelijke uitslag. Beide onderzoeksbureau's hadden een te grote winst voor D66 voorspeld. De Democraten kwamen in een landelijk omgerekende uitslag uit op 14,5 procent. NIPO gaf D66 echter 16,4 procent en Inter/View zelfs 18,0 procent. NIPO onderschatte verder met 22,4 procent het CDA dat - landelijk vertaald - 25,0 procent kreeg. Inter/View had dit percentage wel juist voorspeld. Maar met de prognose voor de opkomst sloeg dit bureau de plank mis. De Hond voorspelde dat 55 procent van de kiezers zou gaanstemmen. Dit bleek 66 procent te zijn.

Schild vindt dat zijn collega een brug te ver is gegaan. “De opkomst is niet te voorspellen. Je kunt die beter niet kaart brengen omdat veel psychologische factoren van de laatste dag een rol kunnen spelen”. De Hond verklaart het verschil uit het feit dat een groot deel van de ondervraagden dat geen voorkeur aangaf en - blijkens ervaringen bij vorige gemeenteraadsverkiezingen - vervolgens niet komt, op 2 maart toch in overgrote mate kwam opdagen. Dat gebeurde volgens De Hond omdat erg veel kiezers toch naar de stembus gingen om de CD wind uit de zeilen te nemen. Lokale partijen hebben hier volgens De Hond van geprofiteerd. Schild noemt dit een schijnredenering: “De Hond moet niet met de opkomst speculeren. Hij gedraagt zich te veel als de navel van de opinie-industrie.”

De grootste doomsday voor de opiniepeilers waren de Kamerverkiezingen van 21 mei 1986. Zowel NIPO als Inter/View zaten er behoorlijk naast. De voorspelling luidde: PvdA wordt de grote winnaar, het CDA tweede partij. NIPO gaf de PvdA 56 zetels en Inter/View 55. Het CDA werd geschat op respectievelijk 49 en 46. De werkelijkheid was omgekeerd. Het CDA werd grootste partij met 54 zetels en de PvdA won wel maar kreeg 52 zetels, en bleef in de oppositie. De conclusie van de onderzoekers op deze misser was dat ze te vroeg met peilingen waren gestopt, terwijl het Lubbers-effect pas aan het eind echt kwam opzetten en het aanzien van de toenmalige PvdA-lijsttrekker Den Uyl tanende was.

Inter/View stelt dat de opiniepeilingen een politiek effect op zich kunnen veroorzaken. Ze verhogen niet alleen nervositeit onder de politici maar ze beinvloeden, zoals in 1986, het stemgedrag. “De campagnes spelen een rol, de media spelen een grote rol. Wat is er tegen om objectief de stand van zaken vast te stellen”, zegt De Hond. Schild is het hiermee niet eens. “De peilingen beinvloeden politici, maar de directe invloed op kiezers is marginaal.” In Frankrijk mogen peilingen wel worden gehouden, maar de uitslag mag niet worden gepubliceerd. Alleen politici en media-strategen mogen de uitslag opvragen. In andere landen mogen opiniepeilingen vlak voor de verkiezingen niet worden gehouden. De opiniepeiling van maandagavond 2 mei kan zo toch voor een laatste verrassing zorgen.

NIPO heeft de werkmethode sinds 1986 aangepast. Het bureau heeft elke week een steekproef onder duizend stemgerechtigde Nederlanders die representatief zijn naar geslacht, regio, leeftijd en welstand. De enqueteur komt persoonlijk aan de deur en laat de ondervraagde een pseudo-stembiljet invullen met de vraag: op welke partij zou u stemmen als er vandaag verkiezingen zouden zijn? Het nadeel van deze face-to-face methode is de lange verwerkingstijd: ongeveer een week. Dit was de reden waarom NIPO er in 1986 naast zat. Daarom wordt dit onderzoek aangevuld met het NIPO-telepanel waarin een representatieve groep van duizend stemgerechtigden zit. Zij hebben van NIPO een computer met modem gekregen en ze geven elk weekend aan de NIPO-computer door op welke partij ze zouden stemmen als er verkiezingen zouden zijn. De gegevens van het huisbezoek en het telepanel worden gecombineerd om een actueel beeld te krijgen.

Inter/View werkt volledig via de telefoon waarbij 1500 kiezers, ook weer op basis van geslacht, leeftijd, regio en welstandsniveau geselecteerd, de vraag krijgen voorgelegd op welke partij ze zouden stemmen als er nu verkiezingen zouden zijn. “Onze methode is actueler”, zegt De Hond. “Je ziet dat de uitslag van NIPO onze trend doorgaans een week later weergeeft. Menging van NIPO-onderzoek op twee verschillende momenten in de tijd geeft blijkbaar toch problemen met betrekking tot de actualiteit.” Schild wijst deze aantijging verontwaardigd van de hand. “Door de menging van een gesprek en telepanelmetingen is NIPO op dit moment twee à drie dagen actueler dan Inter/View”, zo zegt hij over zijn concurrent.

NIPO had vorig jaar een omzet van 33 miljoen gulden en 180 medewerkers in dienst, terwijl Inter/View een omzet had van zo'n twintig miljoen met honderd mensen in vaste dienst. Het kiezersonderzoek is maar een fractie van de omzet, maar wel uiterst belangrijk voor naamsbekendheid en prestige. “Het is beroepstrots om de uitslag nauwkeurig te voorspellen”, zegt De Hond.

Het échte verschil zit vooral in de 'correctiemechanismen'. Wie een peiling houdt onder een grote groep kiezers slaat de plank onherroepelijk mis omdat een aantal factoren dwingt tot bijstelling. Veel ondervraagden willen niet meewerken. Ter rechterzijde zijn kiezers minder snel bereid aan een onderzoek mee te doen en daarmee ondervertegenwoordigd. Werkenden zijn moeilijker te bereiken dan niet-werkenden, jongeren moeilijker dan ouderen. Ook is er een grote groep 'nog niet-weters' die pas op de laatste dag besluit en zwevende kiezers die van partij veranderen. De kiezersstromen naar de partijen neutraliseren zich gedeeltelijk, maar er kan een onverwacht 'saldo' zijn naar één partij, zoals in 1986. Alle grote partijen kregen toen 'iets' minder dan verwacht, het 'saldo' ging richting CDA.

De twee onderzoeksbureau's hanteren uiteenlopende correctiemechanismen om bij te stellen. NIPO vraagt de stemgerechtigde om zich te positioneren op een zogenoemde 'links-rechts schaal'. De politieke positie van de ondervraagde geeft zo een beeld naar welke richting zijn stem zou gaan, want veel partijen zijn in de praktijk communicerende vaten. Er is veel overgang van PvdA naar D66, GroenLinks en SP. Aan de andere kant loopt de aanhang van CDA en VVD ook deels in elkaar over. Plaatst een ondervraagde 'nog niet-weter' zich tussen CDA en VVD, dan is het niet waarschijnlijk dat deze in het stemhokje alsnog GroenLinks kiest. De Hond hanteert een ander correctie-mechanisme. Inter/View wil weten op welke partij de stemgerechtigde bij de laatste verkiezingen heeft gestemd, op die manier kunnen kiezersbewegingen in kaart worden gebracht. Het is echter curieus dat veel kiezers zich niet foutloos kunnen herinneren op welke partij ze de laatste keer hebben gestemd. De bewerking van de correctie-methodieken verschilt, maar in de praktijk blijken de resultaten van deze peilingen naar elkaar toe te bewegen naarmate verkiezingen dichterbij komen.

De juistheid van de correctie-methode is deze keer belangrijk omdat de marges tussen de grote partijen gering lijken te worden. “Als de grote partijen heel dicht bij elkaar staan is het erg lastig om te zeggen welke partij de grootste wordt”, zegt De Hond. “Daarbij komt dat bewegingen in het electoraat heftig kunnen zijn omdat tweederde van de kiezers weet het óf nog niet weet óf zegt van partij te veranderen, hetgeen per definitie een instabiele keuze is. Nog nooit zijn de laatste weken van de campagne zo belangrijk geweest.”

Een correcte prognose is vooral van belang omdat een klein numeriek verschil grote politieke gevolgen met zich kan brengen. Als de PvdA net iets groter wordt dan het CDA heeft de PvdA weliswaar erg veel zetels verloren maar voelt zich misschien politiek winnaar. Maar ook de VVD kan met klein verschil de grootste partij worden, terwijl D66 misschien minder wint maar tóch de sleutel bij de formatie krijgt. De trend staat de onderzoekers voor ogen maar het zijn juist de marges die hun prestige bij de bookmakers bepaalt. De Hond houdt rekening met de magiek van het stemhokje. “Het zou funest voor de prognose kunnen zijn als het electoraat op de laatste dag toch massaal gaat schuiven.” Ook Schild voorspelt liever niet welke partij er als grootste uit de stembus komt. “Het gaat om de inschatting van de laatste switchers.”