Uit De Gids

R. Aerts en Th. Duquesnoy (red.): Een ereschuld, essays uit De Gids over ons koloniaal verleden

318 blz., Meulenhoff 1993, ƒ 45,-

Tussen 1867 en 1960 verschenen in het maandblad De Gids 255 artikelen over het wel en wee van de Nederlandse koloniën in Oost en West. Een aantal van de auteurs was er nooit geweest, maar baseerde zich op boeken of verslagen van anderen. Daarbij werden Suriname en de Antillen sterk onderbelicht. Over de West verschenen in een kleine honderd jaar slechts 35 artikelen in De Gids. Het merendeel handelde over de Nederlandse opstelling in het voormalige Indië en had een sociaal-politiek of sociaal-cultureel karakter. Wie de twaalf opstellen uit De Gids, die nu gebundeld zijn, terugleest kan niet zeggen dat het Nederlandse publiek, ook al had het blad maar een kleine oplage, niet gewaarschuwd is voor de gevolgen van de koloniale politiek.

Nederland viert volgend jaar vijftig jaar bevrijding, Indonesië viert dan het uitroepen van de onafhankelijkheid van de Republik Indonesia door Soekarno in 1945. Het is daarom nuttig nog eens handzaam te kunnen nalezen wat de aanzetten zijn geweest tot de nationalisering van Nederlands-Indië. De Gids liet zich vaak leiden door de ethische koers van de hoogleraren van de universiteit van Leiden. In Utrecht, 'de olie-faculteit', doceerden voor het merendeel professoren die erop stonden dat de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven aandacht kregen bij de te voeren politiek. Zij verweten hun collega's uit Leiden dat zij het gezag ondermijnden.

Leidse professoren wezen dat verwijt resoluut van de hand. De Leidse hoogleraar Fruin schreef bijvoorbeeld: “In ben vanouds een voorstander van het recht van allen om te spreken en te schrijven over al wat we willen. Maar evenzeer ben ik een voorstander van de plicht van allen om bescheidenlijk te zwijgen over hetgeen ons niet goed bekend is.” Zo begon hij in 1865 een verhandeling over 'Nederlandse rechten en verplichtingen ten opzichte van Indië'. Hij vervolgt: “Alleen door het beheer over Indië is Nederland meer dan een mogendheid van derde rang.”

Fruin was van mening dat Nederland te hoge verplichtingen aan de plaatselijke bevolking oplegde. Hij achtte hervormingen in Indië onmogelijk als de dwangcultuur om 'aan een batig saldo te komen' gehandhaafd bleef. “Heeft Nederland recht op dat batig saldo, het blijve; en dan blijve tevens ieder misbruik in Indië dat er onafscheidelijk mee samenhangt. Maar mag Nederland niet meer dan een bepaalde som van Indië vorderen, het stelle zich dan daarmee tevreden en belette door zijn begeerlijkheid de vrije ontwikkeling niet van een volk, voor welks toekomst het verantwoordelijk is.”

Na het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1945 is vaak de vraag gesteld in hoeverre de Nederlandse gezagsdragers op de hoogte waren van wat er onder het volk leefde. Wie in de bundel het essay van C. Snouck Hurgronje leest dat in 1923 in De Gids verscheen, krijgt daarvan een weinig opwekkend beeld. De Leidse hoogleraar en islam-kenner was adviseur voor de Nederlands gezagsdragers in Indië. Van bondgenoot van Van Heutsz om er in Atjeh flink op te slaan, ontwikkelde hij zich tot een ferm pleitbezorger voor de versterking van het inlandse bestuur. Hij was van mening dat de Nederlandse gezagsdragers lering moesten trekken uit binnenlandse opstanden zoals in Tjiligon in juli 1888 en een aanzienlijk aantal daarna. “De Europese maatschappij in Indië, die in haar overgrote meerderheid naast maar geheel buiten de inlandse leeft, pleegt van die onverwachte barbaarse reactie tegen tirannie geweldig op te schrikken. (...) De aldus onstane raspsychose beïnvloedt de militairen, die het verzet onderdrukken, de rechters die de opstandelingen vonnissen en de bestuurders, die maatregerelen nemen of voorstellen tot verzekering van de orde in de naaste toekomst.”

“Wij Nederlanders tonen dikwijls een hoog ontwikkeld rechtsgevoel,” zo besluit Snouck Hurgronje zijn bijdrage in De Gids. “Wij kunnen onze, schoon machteloze, verontwaardiging niet bedwingen over onrecht, aangedaan aan de Finnen, de Zuid-Afrikaanders, Dreyfus, de Belgen, de Rijnlanders. Zouden er geen termen gevonden kunnen worden om een deel van dat rechtsgevoel ter beschikking te stellen van de vijfenveertig miljoen Nederlandse onderdanen in het Verre Oosten? Tegenover door hen geleden onrecht staan wij niet machteloos, ja wij zijn er mede verantwoordelijk voor.”

Zo wordt de inhoud van de bundel opnieuw actueel, nu de relatie tussen beide landen genormaliseerd is en een delicaat debat begint over de wijze waarop in het herdenkingsjaar 1995 het begrip 'verzoening' een rol moet spelen.

    • Willebrord Nieuwenhuis