Tragedie op de Kei-eilanden

B.R. Immerzeel en F. van Esch (red.): Verzet in Nederlands-Indië tegen de Japanse bezetting 1942-1945 242 blz., geïll., Sdu 1993, ƒ 39,90

Op 8 maart 1942 capituleerde het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL); drieëneenhalf jaar later, op 2 september 1945, capituleerde de Japanse bezetter. Verspreid over de Archipel pleegden kleine groepen na aanvang van de bezetting verzet, maar lang konden zij dit niet volhouden: na één jaar waren vrijwel alle verzetsstrijders opgepakt of geëxecuteerd.

Over het militaire verzet, in het bijzonder de acties van de Nederlandse inlichtingendienst en de guerrilla op Celebes en Nieuw-Guinea, en het verzet op Java is relatief veel geschreven. Met Verzet in Nederlands-Indië is een uitgebreide studie over het verzet in heel Nederlands-Indië verschenen. De auteurs beschrijven verzetsgroepen die tot nu toe niet of nauwelijks aandacht hebben gekregen, zoals die onder leiding van Litamahuputty op Saparoea en een groep op de Kei-eilanden. Van andere groepen wordt het beeld aangevuld en gecorrigeerd, zoals dat van de Molukse verzetsgroepen in Batavia, de verzetsorganisatie onder leiding van Meelhuysen in Soerabaja en de Rode Zakdoek op Sumatra.

Verzet werd gepleegd door 'Nipponwerkers' die verplicht moesten werken in ondernemingen die van vitaal belang werden geacht voor de oorlogsvoering, door KNIL-soldaten die zich niet hadden gemeld, uit de kampen waren gevlucht of na ondertekening van de loyaliteitsverklaring waren vrijgelaten, en door burgers die internering hadden weten te voorkomen door hun persoonsbewijs te vervalsen.

Kerstmis 1942 zou in een bevrijd Nederlands-Indië worden gevierd, zo was de algemene verwachting. De verzetsactiviteiten beoogden daarom vooral de voorbereiding van militaire steun aan de Britten en Amerikanen: het verzamelen en aan Australië doorgeven van militaire gegevens, het verzamelen van wapens, het leggen van contacten met ondergedoken KNIL-soldaten, het verschaffen van onderduikadressen en het liquideren van Japanners.

De Japanners dachten dat het militaire verzet, het burgerverzet en de illegale steunverlening aan gevangenen in de kampen tot in detail waren voorbereid, maar tot april 1942 was er hooguit sprake van verzetsorganisaties in oprichting. Professioneel opgezet waren de verzetsgroepen zelden. Het lukte de Netherlands Forces Intelligence Service wel enkele parties (groepjes geheim agenten die informatie moesten vergaren) uit Melbourne in bezette gebieden te droppen, maar de resultaten waren vrijwel nihil. En net als het Korps Insulinde, dat uit Ceylon opereerde, stuitten de parties op een weinig coöperatieve houding van de plaatselijke bevolking.

Valse passen

In veel gevallen waren de koloniale verhoudingen in de verzetsgroepen weerspiegeld. Zo bestond de top van de groep van Willem Meelhuysen uit (Indische) Nederlanders, onder wie ir. Moll, die voor valse passen zorgde, en Jan Rups, de éénarmige journalist van Het Handelsblad, die na een rondreis over Java eind maart 1942 een rapport opstelde over de situatie ter plekke. Het 'voetvolk' - de term is van de auteur - bestond uit Molukse en Minahassische KNIL-soldaten, loyaal aan koningin en vlag.

Niet de Japanse militaire politie, de Kenpeitai, en evenmin de marinepolitie (de Toketai), maar de Politieke Inlichtingen Dienst (PID) werd de felste vervolger van verzetsmensen. De PID was oorspronkelijk de politieke recherche die het Nederlands-Indisch gezag bijstond in de bestrijding van het nationalisme. De dienst werkte vooral met Indonesische en Indo-Europese spionnen en infiltranten en werd door de Japanners volledig ondergeschikt gemaakt. Zo ook op de Kei-eilanden. Het verhaal over de Kei-eilanden is één van de tot nu toe niet vertelde verhalen, en bovendien een van de hoofdstukken waarin het verzet het meest concreet aan de orde komt.

De Kei-eilanden behoren tot de zuidoostelijke Molukken. Door de inzet van katholieke missionarissen en protestantse zendelingen was éénderde van de bevolking katholiek en éénderde protestant. De christenen hadden een betere toegang tot het onderwijs en de arbeidsmarkt, waardoor er een tweedeling was ontstaan tussen christenen en islamieten. De beide groepen zouden verschillend reageren op de Japanse bezetting. Andersom wantrouwden de Japanners de christenen en bevoordeelden ze de islamieten.

Op 12 juli 1942 arriveerden enkele tientallen soldaten onder bevel van luitenant F. Hieronymus in Toeal, het bestuurscentrum op het eiland Kei Doelah. Omdat het detachement te klein was om een Japanse aanval te weerstaan, recruteerde Hieronymus hulpsoldaten. Hij maakte daarbij de vergissing ook onder de islamitische bevolking te werven, ondanks de waarschuwing van pater C.C. Bedeaux voor de mogelijke gevolgen. Het bericht dat de Japanners in aantocht waren bereikte Toeal dan ook niet, omdat zich op de tussenposten enkele islamitische spionnen van de Japanners bevonden. Zonder tegenstand konden de Japanners de stad binnentrekken, waar zij meteen hulp kregen van de islamitische Keiezen. Bovendien bleek luitenant Hieronymus een vaste slaper: toen het eindelijk gelukt was hem te wekken en hij de ernst van de situatie inzag, was het te laat.

De Japanners bezetten de Kei-eilanden waarschijnlijk wegens de strategische ligging ten opzichte van Australië. Ze zagen de eilanden als een springplank. Daarom wilden ze zo snel mogelijk vliegvelden aanleggen, door inschakeling van, vooral Molukse, krijgsgevangenen. Het verzet werd dan ook vooral door deze tewerkgestelden gepleegd. Niet zonder succes, maar de straf was zwaar.

De eerste slachtoffers vielen in de missie in Langgoer. Twaalf missionarissen moesten naar het strand lopen, waar ze werden geëxecuteerd. Internaatsleerlingen kregen slaag omdat ze de lijken verder in zee wilden dragen (begraven was aanvankelijk verboden): ze moesten de lijken slepen. De Japanners traden zo hard op omdat ze de (bestuurs-)elite zo snel mogelijk wilden uitschakelen èn omdat de missionarissen daadwerkelijk verzet pleegden. Op verzoek van luitenant Hieronymus bijvoorbeeld, vernietigde broeder J. van Schaik de olievoorraden op Toeal, repareerde hij geweren en bracht de lokale radiozender naar een veilige plaats.

Voorganger Valerius Rejaan verborg militairen in een tuinhuisje. Hij werd, zoals zovelen, verraden en samen met zijn vader gemarteld. De Japanners sloten hem op in het tuinhuisje, staken dat in brand en beletten hem met stokslagen om te vluchten. Rejaan en zijn vader werden vervolgens geëxecuteerd.

Gele bladeren

Het aanleggen van de vliegvelden was uitputtend werk. De Japanners sloegen er snel op los, ook als zij bij het appèl een telfout maakten. Toch werd ook hier verzet gepleegd. De tewerkgestelden suggereerden dat het sneller ging als de bomen die ter camouflage van het vliegveld moesten dienen, niet met wortel en al werden uitgegraven maar gekapt en vervolgens met de stam in de grond gezet. Al snel bleek de ware bedoeling van het voorstel: de bladeren vergeelden en de bomen waren uit de lucht goed zichtbaar. Het vliegveld werd in de volgende periode regelmatig gebombardeerd. In de verwarring die tijdens die bombardementen ontstond, lukte het de tewerkgestelden de voorraad brandstof in brand te steken. Geallieerden maakten bovendien regelmatig in hun rapporten melding van licht- en rooksignalen.

In december 1942 werd de party Flounder door een Amerikaanse onderzeeër aan de kust afgezet. De groep werd al spoedig gevangengenomen, de leider, kapitein Nijgh, onthoofd. Het zijn de tientallen executies die de geschiedenis van de Kei-eilanden kenmerken.

    • Eric Slot