'Stemmingmakerij' gevolg van actieve politiek van justitie

AMSTERDAM, 9 APRIL. “Gaat het om het werk van justitie of om nieuwsmaken?” Dit was de boze eerste reactie van premier Lubbers op de KRO-reportage over de inval van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst bij een bedrijf waar CDA-lijsttrekker Brinkman commissaris is. Lubbers heeft minister van justitie Hirsch Ballin en marge van het kabinetsberaad meteen aangesproken over deze “stemmingmakerij”.

De tegenstelling is minder absoluut dan de minister-president het voorstelt. Vorig jaar deze tijd kwam het departement van Hirsch Ballin met de mededeling dat het studeert op mogelijkheden “de morele verontwaardiging” uit het betoog van een officier van justitie actiever dan thans aan de samenleving over te dragen. De gedachten gingen uit naar bioscoopfilmpjes en uitzendingen van lokale televisiestations - nieuwsmaken dus.

Dit plan had betrekking op rechtzittingen en die zijn nog wel iets anders dan een opsporingsactie zoals thans in Scherpenzeel. Het klassieke onderscheid tussen deze twee fasen van de strafrechtspleging is echter afgevlakt. “De betekenis van de verslaggeving over de opsporingsfase groeit”, constateerde officier van justitie mr. H.P. Wooldrik (thans een hoge ambtenaar op het departement van justitie) al in 1985. “Het strafrechtelijk gebeuren wordt 'naar voren gehaald'.”

Deze opmerking is niet los te zien van de verhoogde aandacht voor fraude. Een Gideonsbende van jonge officieren van justitie en politiespecialisten begon in de jaren tachtig actief de media te zoeken om het publiek (en de eigen ambtelijke achterban) wakker te schudden. De tv-camera's bij de inval in de Slavenburgbank markeerden de breuk met de traditionele terughoudendheid van de instanties met betrekking tot opsporingsacties. Ook een garnalenpellerij en een alternatieve commune maakten hiermee kennis.

De camera's van Nova zijn tegenwoordig niet weg te denken uit het politieleven. Onlangs nog registreerden zij de grootscheepse actie tegen drugsrunnertjes bij Rotterdam. Deze voorpubliciteit, die ook nog eens werd gevolgd door snelrecht, heeft niet tot noemenswaardige kritiek geleid. Eerder dit jaar was het actualiteitenprogramma bij een grootscheepse opsporingsactie tegen visfraude in Zeeland. Dit was aanleiding voor een onderzoek van de rijksrecherche hoe de Nos was getipt over een bezoek van de opsporingsdiensten in de werkkamer van een Vlissingse wethouder.

Behalve het gevaar van onofficiële tips (lekken) is er nog een andere reden voor de autoriteiten na te denken over nadrukkelijke publiciteit in de opsporingsfase. “Daarmee zetten ze de etalage al vol voordat de schappen zijn gevuld”, zoals mr. A. Couzijn het eind vorig jaar uitdrukte in een interview bij haar afscheid als advocaat-generaal bij het gerechtshof in Den Haag. Behalve gezichtsverlies als een met veel fanfare gelanceerde zaak bij de rechter onverhoopt met een sisser eindigt, lopen de instanties trouwens de kans van een afkeurend oordeel van de Nationale Ombudsman of zelfs de verplichting een rectificerend persbericht te doen uitgaan, zoals een rechter al eens heeft gelast.

Voor de media telt echter alleen de nieuwswaarde. Dat betekent overigens niet dat zij zich klakkeloos moeten laten gebruiken door hun bronnen bij politie of justitie. De Raad voor de Journalistiek, die oordeelt over vragen van beroepsethiek, heeft bij herhaling uitgesproken dat juist in de opsporingsfase extra voorzichtigheid past. Daarbij is echter erkend dat de media in deze fase vaak wel zijn gedwongen af te gaan op zegslieden bij politie of justitie.

De inval in Scherpenzeel roept serieuze vragen op met betrekking tot de plicht van de commissaris van een bedrijf zich behoorlijk te informeren voordat hij zijn positie aanneemt, zegt de advocaat, CDA-senator en auteur van een boek over commissariaten mr.J.R. Glasz. De nieuwswaarde is met andere woorden niet aan twijfel onderhevig. Hoogstens de timing kan een vraag zijn. Zo is de cirkel rond en betreft de kritiek van Lubbers een overheidspraktijk die tijdens zijn regeerperiode is gegroeid.

    • F. Kuitenbrouwer