Ratsen

Nico Scheepmaker komt de eer toe, de balpuntpen, de ballpoint te hebben ontdekt als het eerste echte duurzame gebruiksvoorwerp dat door vrijwel iedereen als eigendom van iedereen wordt beschouwd. Daarna heeft hij nog geopperd, de fiets in deze categorie op te nemen: Een fiets is iets maar bijna niets. Dat denkbeeld heeft wel veld gewonnen maar de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog is sterker: Ik wil mijn fiets terug. In plaats daarvan zijn het postbode-elastiek en de aansteker gekomen. Het elastiek ligt op straat, het is voor de eerlijke vinder, al kan ik me voorstellen dat een eigendomsfundamentalist ermee naar het politiebureau zou gaan. Balpunt en aansteker zijn voorwerpen die niet bewust worden gestolen, ze wekken niet het tersluiks begeren van de dief, ze verdwijnen gewoon, per ongeluk in een andere zak, alsof ze zelf tot die verhuizing besloten hadden.

Is dat waar? Nee. Een bijna volle aansteker verdwijnt altijd eerder en geen twee balpunten zijn gelijk. Zelfs tussen de ene simpele Bic met los beschermkapje en de andere heb je grote verschillen. Omdat een balpunt een bewegend deel heeft - het kogeltje - moet hij worden 'ingeschreven': zoals ieder mechanisme aan zijn eigen bewegingen wennen. Een half lege balpunt die goed is ingeschreven, vind ik meer waard dan een volle met een weerspannig kogeltje. Op het gebied van schrijven gaat er niets boven zo'n willige balpunt. Daarom breng ik er eigendomskenmerken op aan: een gekleurd stukje plakband, of ik breek de clip van de dop. Toch blijven die dingen verdwijnen. Dus worden ze gestolen.

Ook dieven hebben hun eigen hiërarchie. Helemaal onderaan staat de kruimeldief, omschreven als iemand die telkens kleine bedragen of 'zaken van geringe waarde' steelt. Een ondercategorie, alleen op kantoren, werd vroeger gevormd door de postzegeldiefjes; die zijn met de komst van de frankeermachines verdwenen. Nu heb je de nietjesdieven, de plakbandrolletjesdieven, de mappendieven, de parapludieven, de schoonmaakmiddelendieven, de woordenboekendieven, de computersnoerendieven, de faxmachinedieven en de alles wat los en vast is dieven. Er zijn kantoren waar iedere ochtend een zwerm raven aan de bureaus gaat zitten.

Ik kom op het onderwerp via een artikel van Wubby Luyendijk, Diefstal op school, in het katern Wetenschap & Onderwijs, in deze krant van afgelopen donderdag, en een verslag in de Tribune van 25 maart: Hotel Souvenirs: Taking Them to the Limit. Om bij het laatste te beginnen: indertijd kende ik een charmante familie die er een eer in stelde, al haar eetgerei uit hotels bijelkaar te roven. De maaltijd lag op een bord van Américain, je sneedt met een Hiltonmes, je prikte met een Beau Rivagevork, je servet was van De Nederlanden, het koffiekopje uit Hotel Sofia en het lepeltje weer van de KLM. De bedoeling was dat de gasten opgetogen op die uitstalling van Ali Baba reageerden, en dat heb ik, laf en beleefd gedaan, maar toch, zonder me hier braver te willen voordoen dan ik ben: ik heb het nooit helemaal in orde gevonden.

Uit het verslag in de Tribune wordt duidelijk dat deze familie het bescheiden heeft aangepakt. De hotels worden geplunderd. Het Crillon in Parijs is een van de duurste ter wereld, wie daar logeert heeft alles wat hij begeert, en toch komt het regelmatig voor dat iemand met het hele zilveren ontbijtservies probeert te vertrekken. Een gast van Gritti Palace in Venetië heeft kans gezien, spoorloos te verdwijnen met een oud Perzisch tapijt. De onkerkelijkheid neemt nog steeds toe maar de bijbels voor de lade in het nachtkastje vallen niet aan te slepen.

Geen wonder, zou je zeggen, dat de kinderen op school het voorbeeld van hun ouders in de hotels volgen. Komen vader en moeder met een kosmopolitisch borrelglaasje thuis, dan laten Pietje en Marietje zien wat ze zich intussen op school hebben verworven. Is het zo eenvoudig?

Tegen het einde van deze eeuw kennen we allerlei soorten eigendom en bij iedere soort hoort een handleiding.

Ten eerste is er het publiek eigendom, aanwezig als openbare voorzieningen, in roerende en onroerende vorm, als duurzaam gebruiksvoorwerp, tot doelmatige regulering van ons gedrag, om ons sneller van A naar B te brengen, enz. Het publiek eigendom staat bloot aan permanente aanvallen. Ik zal er niet over zeuren. Het hoort zo. Muren en trams moeten worden bespoten en bekrast, we zijn verplicht om van tijd tot tijd een parkeerpaaltje omver te rijden of met onze bumper een boom van zijn schors te ontdoen, en wie zichzelf werkelijk respecteert kan er niet onderuit om af en toe zijn kalasjnikov op een radarapparaat langs de weg leeg te schieten. Het is een van de functies van het publieke eigendom dat we er van tijd tot tijd onze gezonde vitaliteit op proberen. Het is onze versie van het Kantiaans Du sollst.

Ten tweede hebben we het collectief eigendom bestaande uit de dingen die als bezit van een persoon of instituut zijn begonnen maar daarna stilzwijgend zijn onteigend. Publiek eigendom verschilt wezenlijk van collectief eigendom: in het eerste geval hebben we er allemaal voor betaald, via de belasting, anoniem, en dus staat het ons vrij om het te bestelen of te verwoesten; en in het tweede is er een aanwijsbare persoon, bedrijf of instelling waarvan het eigendom, meestal in beperkte mate en stukje bij beetje, tot algemeen graaibaar wordt verklaard, in die zin dat wie het eerst komt het eerst maalt. Hotel-, vliegtuig- en kantoorinventaris horen tot dit collectief eigendom. Als men daartegen protesteert heeft men het niet begrepen.

Ten derde is er het zuiver particulier eigendom. Om dat te beschermen hebben we het moderne hang- en sluitwerk en de particuliere bewakingsdiensten.

Het is daarom niet rechtvaardig, de schoolkinderen als uitzonderlijk zorgwekkend aan de kaak te stellen. Ze weten hoe het leven moet worden geleefd.

    • S. Montag