Ot en Sien op Java

Kees Groeneboer: Weg tot het Westen; het Nederlands voor Indië 1600-1950. Een taalpolitieke geschiedenis 580 blz., geïll., KITLV Uitgeverij 1993, ƒ 60,-

De 'Weg tot het Westen' in het voormalige Nederlands-Indië was geplaveid met de Nederlandse taal. Het was de weg naar het christendom, naar Westerse kennis en wetenschappen en naar maatschappelijk aanzien. Aan het einde van de zestiende eeuw begon de aanleg van deze taalweg, tussen 1950 en 1958 werd hij afgesloten. Alleen Indonesische wetenschappers die kennis willen nemen van de rijke Nederlandstalige bronnen over hun land moeten thans nog van die weg gebruikmaken. Een omweg volgens dr. Kees Groeneboer, voormalig docent Nederlandse taal en taalbeheersing aan de Universitas Indonesia te Jakarta. Hij heeft in een uiterst informatieve en boeiende studie de geschiedenis van het Nederlands in Indië en van de koloniale taalpolitiek beschreven.

Verrassend is het te lezen dat deze geschiedenis zo anders verlopen is dan men vanuit populaire vooroordelen zou kunnen denken. Nederland heeft zijn taal noch in de Compagniestijd, noch in de koloniale tijd opgedrongen. Aanvankelijk niet eens zozeer uit ideologische overwegingen, maar omdat het daartoe eenvoudigweg niet bij machte was. In handelsnederzettingen ten oosten van Batavia bleek het Portugees als lingua franca te sterk, ten westen overheerste het Maleis. In de 17e en 18e eeuw werd het Nederlands voornamelijk als Europese mannentaal in de kantoren van de VOC gesproken, nauwelijks daarbuiten. Zelfs in de Protestantse kerken en in de Compagniesscholen was het Nederlands maar ten dele in gebruik. In de huishoudingen van Batavia sprak men gewoonlijk de taal van de Aziatische of Euraziatische vrouw en van haar personeel (slaven): in de 17e eeuw vooral Portugees, in de 18e eeuw in toenemende mate Maleis. Verschillende gouverneurs-generaal hebben tevergeefs geprobeerd, met in onze ogen curieuze maatregelen, het gebruik van het Nederlands als voertaal te bevorderen. Slaven mochten bijvoorbeeld alleen een hoofddeksel dragen als zij de taal van hun meesters enigszins beheersten. Nederlandse-taal-kennis was ook een voorwaarde om als (Eur)aziatische vrouw met een Nederlander te mogen trouwen. Op scholen deelden controleurs straffen uit aan leerlingen die in een andere taal met elkaar praatten, ook buiten de lessen om.

Maar het mocht niet baten. Omstreeks 1800 was er niet één Nederlandstalige onderwijzer op de Bataviase Compagniesscholen en niet één Nederlandstalige predikant in de Bataviase kerken. Het failliet van de VOC ging hand in hand met dat van de Nederlandse taalpolitiek. Niet alleen op Java, maar ook op de Molukken en op Ceylon had het Nederlands het tegen het Maleis en Portugees moeten afleggen. Slechts op Formosa leek tijdens de korte Nederlandse aanwezigheid (1624-1662) een toekomst voor onze taal weggelegd, als voertaal voor zowel de Europese als de inheemse bevolking, maar na verovering van het eiland door de Chinezen werd dit enige groot-Nederlands perspectief in Azië gesloten.

Wensdroom

Pas in de tweede helft van de 19e eeuw kreeg het Nederlands naast het Maleis en de inheemse talen enige vaste voet aan de Indische grond. Paradoxaal genoeg omdat in 1864 besloten werd het Nederlands niet als algemene voertaal in te voeren, maar deze taal buiten het Europese onderwijs alleen op zeer beperkte schaal in het inlands onderwijs te gebruiken. Zo werd het de taal van de koloniale elite, waard om na te streven door die Indo-Europeanen en inheemsen die via de 'Weg tot het Westen' hogerop wilden komen.

De vraag naar het Nederlands uit de inheemse bevolking steeg in de 20ste eeuw zelfs zodanig, dat naast het bewust beperkt gehouden Nederlandse-taalonderwijs aan zogenoemde inlandse scholen, er 'Wilde Scholen' opgericht werden voor Indonesiërs die zich op z'n minst passieve kennis van het Nederlands wilden verwerven. Daardoor steeg in het vooroorlogse Indië het aantal inheemsen die het Nederlandse in meer of mindere mate beheersten van circa 5.000 omstreeks 1900 tot 1,3 miljoen in 1942. Rekent men de Nederlanders mee, dan sprak aan de vooravond van de dekolonisatie ongeveer twee procent van de totale bevolking de Nederlandse taal.

Hiermee was het streefgetal van de taalpoliticus en taalpedagoog G.J. Nieuwenhuis bereikt. Volgens hem zou bij een dergelijk percentage “Hollandsche boeken, Hollandsche werkers, Hollandsche gedachten hun invloed (blijven) behouden en Hollandsche waren aftrek vinden gedurende de lange periode door die van kolonie naar zelfstandigheid voert”. Dit streven verwoordde hij in 1930. Nog geen twintig jaar later was deze wensdroom voorgoed voorbij: de Japanse bezetting en de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd hebben de groei van het Nederlands abrupt tot stilstand gebracht.

Enkele dagen nadat de Verenigde Staten de spoedige overdracht van de soevereiniteit geëist hadden, werd in Batavia aan de Literaire Faculteit een speciale studierichting Nederlandse taal- en letterkunde geopend. Deze was bedoeld voor de opleidingen van leraren Nederlands bij het Indonesisch middelbaar onderwijs. De hoogleraren S.P. Uri (letterkunde) en K. Heeroma (taalkunde) werden voor een perspectiefloze zaak ingezet. Reeds in 1952 werd de studierichting opgeheven. Er was slechts één enkele kandidaat afgeleverd, géén Indonesiër.

Lezend in Groeneboers boek ontkomt men niet aan de vraag of de koloniale taalpolitiek er een van onverschilligheid, opportunisme, arrogantie of wijsheid is geweest. De taalkundige M. van den Toorn heeft in bijna cynische bewoordingen gesteld “dat de overheid niets heeft nagelaten om te verhinderen dat het Nederlands ooit een wereldtaal zou worden”. Ook anderen beweren, niet zelden met een ondertoon van spijt, dat er sprake was van verregaande onverschilligheid ten aanzien van eigen taal en cultuur. Zulks vooral in vergelijking met andere koloniale machten die hun talen wel met blijvend resultaat ingevoerd hebben.

Pragmatisme

Groeneboer laat zien dat de koloniale taalpolitiek soms arrogant, soms wijs en meestal pragmatisch en opportunistisch was. Arrogant was bijvoorbeeld het standpunt dat het Nederlands te moeilijk zou zijn voor de eenvoudige inlanders en dat het gevaar van allerlei bastaardvormen ('Indisch Nederlands') groot was. Of dat door beheersing van het Nederlands inlanders op voet van gelijkheid zouden kunnen omgaan met Europeanen. Of dat zij uit Nederlandse bronnen politieke zedelijke denkbeelden zouden opdoen waaraan zij nog niet toe waren. Wijs zou men het standpunt kunnen noemen van allerlei ethici die vonden dat de inheemse talen niet verwaarloosd mochten worden en dat het Nederlands hooguit voertaal in het onderwijs mocht zijn totdat inheemse talen die rol konden overnemen.

In 1915 werd een merkwaardig debat gevoerd tussen de Nederlandse socialist D.J.A. Westerveld en de Javaanse nationalist Tjipto Mangoenkoesoemo. De Nederlander, leraar Duits aan de HBS te Semarang, pleitte voor de ontwikkeling van de landstalen, zodat inheemse intellectuelen hun gedachten en gevoelens juist in die talen zouden kunnen uitdrukken. De Javaan, arts van beroep, meende dat het Javaans volstrekt ongeschikt was om moderne ideeën te verwoorden of wetenschappelijke en technische kennis over te dragen. Hij pleitte voor het Nederlands als voertaal, zo mogelijk een aangepast Indisch Nederlands.

De werkelijke ontwikkeling verliep anders. De vooraanstaande nationalisten hadden meestal een Nederlandstalige opleiding. Deze bracht hen in contact met Westerse denkbeelden over staatkundige en culturele autonomie. Zij riepen in 1928 het Maleis als eenheidstaal uit (Bahasa Indonesia) van een toekomstige onafhankelijke republiek. Het Nederlands werd voor hen aldus een weg tot onafhankelijkheid; een 'Weg via het Westen tot het Oosten' zou men in Groeneboers beeldspraak kunnen zeggen. Hoe ver de vernederlandsing van de nationalisten gegaan was, valt op te maken uit de memoires van Soekarno: hij dacht, vloekte en bad in het Nederlands.

Meestal, zo blijkt uit Groeneboers studie, was de koloniale taal- en onderwijspolitiek pragmatisch, zo niet opportunistisch. Het heeft in de 19e en 20e eeuw aan levendige discussies en polemieken tussen voor- en tegenstanders van het Nederlands als voertaal zeker niet ontbroken, maar hun invloed op de besluitvorming was gering. Vooral economische en financiële factoren speelden een rol. Groeneboer neigt dan ook naar de karakterisering 'kruidenierspolitiek'.

In verband met de koloniale onderwijs- en taalpolitiek komen vrijwel alle onderwijstypes en -instellingen van 1600 tot 1950 aan bod, evenals de gebruikte leermiddelen. Populair waren het verindischte leesplankje van M.B. Hoogeveen en de verindischte Ot en Sien, of Pim en Mien door J. Ligthart en H. Scheepstra. De reeds genoemde taalpedagoog G.J. Nieuwenhuis maakte rond 1920 in de didactiek het belangrijke onderscheid tussen 1. het Nederlands als moedertaal (aan de Europese Lagere School), 2. het Nederlands als vreemde taal (in cursussen, zoals die van het Algemeen Nederlands Verbond) en 3. het Nederlands als vreemde voertaal, dat wil zeggen als tweede taal (aan de Hollands-Inlandse School en de Hollands-Chinese School).

Speciale leerboekjes werden uitgegeven om de fouten van het Indisch Nederlands te leren verbeteren, zoals het boekje Indische fouten door A. de Geus en J.J.M. van Dam. Het Indisch Nederlands, in het bijzonder het Petjo, krijgt van Groeneboer de aandacht die het verdient. Eens als minderwaardige taal beschouwd, beleeft het Petjo in onze tijd, mede dankzij het literaire gebruik ervan door Tjalie Robinson, een ware herwaardering.

Groeneboer schreef een even omvangrijk als belangrijk naslagwerk, dat ondanks vele passages met feitelijke opsommingen en kwantitatieve overzichten, heel leesbaar gebleven is. Het geeft veel nieuw materiaal en leidt tot nieuwe inzichten. De tekst is doorspekt met functionele citaten, voorbeelden en illustraties. De talrijke voetnoten zijn informatief en lezenwaardig. De bibliografie is bijzonder compleet en up-to-date. Kortom, Groeneboers Weg tot het Westen is een rijk boek.

    • Bert Paasman
    • Docent Koloniale