Oost en West op afstand

J. van Goor: De Nederlandse koloniën. Geschiedenis van de Nederlandse expansie 1600-1975 400 blz., geïll., Sdu 1994, ƒ 59,90

De wens is de vader van de gedachte. In 1968 schreef S.L. van der Wal toen hij in Utrecht hoogleraar werd in de geschiedenis van 'de betrekkingen met de Overzeese wereld': “De historicus, die zich nu met de koloniale geschiedenis bezighoudt, beweegt zich in de voltooid verleden tijd. Hij verdiept zich niet meer in lopende of hangende, maar in afgedane zaken en doet daarbij de verrassende gewaarwording op dat zelfs het jongste koloniaal verleden zeer ver achter hem ligt. Want niet alleen de tijd, ook de omwentelingen in de geschiedenis scheppen de afstand, die voor historische beschouwing onmisbaar is.” In zijn haast de emoties achter zich te laten en met wetenschappelijke distantie aan het werk te gaan, meende Van der Wal dat de 'psychologische nawerking van de dekolonisatie' al vrijwel achter de rug was en vergat hij het nog niet onafhankelijke Suriname dat pas werkelijk zou opvallen toen de Surinamers naar Nederland kwamen.

Zo gemakkelijk liet het verleden zich niet opbergen. Nog steeds staan de opvattingen over de koloniale geschiedenis scherp tegenover elkaar. Er is een groep die werkt aan 'eerherstel' voor in Indië verrichte prestaties en naar de pen grijpt zodra wat zij noemt de 'weg met ons'-mentaliteit de kop opsteekt. Daartegenover staan zij die te vuur en te zwaard de 'Daar werd wat groots verricht-maffia' (Kousbroek) bestrijden en willen voorkomen dat wat uit het koloniale verleden het daglicht niet velen kan, weggemoffeld wordt. Beide groepen zijn ervan overtuigd dat de tegenstander grote invloed heeft. In beide gevallen gaat het vaak om mensen die 'Indië' uit eigen ervaring kennen.

Naast de strijdende partijen werken historici die de koloniale geschiedenis willen bestuderen zonder zich te engageren, zonder nationalisme of antikolonialisme kortom. Op gezette tijden betogen zij dat de tijd rijp is voor een nieuwe, zakelijke aanpak van hun onderwerp. Van der Wal was misschien een van de eerste, later heeft bijvoorbeeld H.L. Wesseling, die te Leiden de 'Europese expansie' bestudeert, wel eens iets van deze strekking geschreven en nu kiest de Utrechtse koloniale historicus Van Goor een dergelijk uitgangspunt.

Is de tijd nu inderdaad 'rijp'? Van Goor heeft met zijn boek in ieder geval een sterk argument in handen. Voor het eerst immers sinds lange tijd verschijnt een overzicht van de gehele Nederlandse koloniale geschiedenis geschreven door één persoon. Sinds de Leidse hoogleraar H.T. Colenbrander in de jaren twintig zijn driedelige Koloniale geschiedenis schreef (en die besloot met het credo 'Eene taak waaraan zijn bloed en tranen kleven, wordt door geen levend volk verzaakt') zijn alleen bundels verschenen zoals Overzee, Nederlandse koloniale geschiedenis 1590-1975 uit 1982, waaraan Van der Wal nog heeft meegewerkt.

Nuchter

Van Goor wist waaraan hij begon. Hij kent de gevoeligheden en heeft onder meer geschreven over enkele netelige aspecten van de koloniale verhouding zoals het Nederlandse nationalisme en de beelden die Nederlanders koesterden van de bevolking met wie zij in aanraking kwamen. Uit alles blijkt dat hij geen nieuwe controverse heeft willen beginnen, maar de balans heeft opgemaakt van enkele decennia onderzoek. Hij vermijdt alles wat neigt naar een epos van 'licht en donker, van zelfzucht en opoffering, van wanbegrip en kloek verstand' (Colenbrander). Het woord 'drama' komt als ik goed geteld heb bij Van Goor eenmaal voor en dan misschien nog als slip of the pen. Het gaat hem niet om 'veroordeling of tevredenheidsvertoon' maar om 'inzicht in het feitelijke probleem' en hij wil 'alle actoren op het historische veld' - kolonisatoren én gekoloniseerden - analyseren; de abstracte terminologie kenmerkt zijn distantie. Met zijn nuchtere benadering slaat hij niet een geheel nieuwe weg in; ze lijkt bijvoorbeeld wel wat op die van het genoemde Overzee en Van Goor steunt op werk van voorgangers die de koloniale geschiedenis met economische cijfers hebben beschreven.

Van Goors brede aanpak geeft hem daarnaast aanleiding tot vergelijking. Waar historici zich tot dusver beperkten tot de Oost of de West en tot de periode van de handelscompagnieën of tot die van het staatskolonialisme van na 1800, beschrijft hij beide gebieden en beide periodes. Zo kan hij wijzen op de lange doorwerking van de VOC-bestuursstructuur na 1800, zo kan hij waarschuwen voor het anachronisme waarmee de zeventiende-eeuwse gouverneur-generaal J.P. Coen op één lijn wordt gesteld met zijn twintigste-eeuwse 'opvolger' J.B. van Heutsz (als krachtige bestuurders dan wel brute houwdegens), zo kan hij in een vergelijking tussen West en Oost het slavernijsysteem en de koelie-arbeid bespreken.

Helder vat Van Goor samen hoe het handelsimperium tijdens de Tachtigjarige Oorlog ontstond. Een samenspel van de oorlogsomstandigheden, de risico's verbonden aan de vaart op Indië en de wens van andere steden en provincies om Amsterdam in te tomen, leidde tot de instelling van een compagnie met handelsmonopolie. Toen de VOC eenmaal gevestigd was en de Portugezen uit Indië verdreven waren, kon het monopolie gemakkelijk gehandhaafd worden omdat de risico's voor individuele ondernemers te groot waren en de kennis en routine van de compagnie onoverwinnelijk werden. Pas aan het einde van de achttiende eeuw werd het omvangrijke bestuurs- en vervoersapparaat een probleem. De VOC werd toen voorbijgestreefd door de flexibeler Britse concurrentie. Overigens maakt Van Goor duidelijk dat de VOC niet te vergelijken is met een negentiende-eeuwse koloniale mogendheid. Weliswaar waren economie en politiek altijd verbonden, maar de Compagnie heeft lang geopereerd als handelaar temidden van handelaren. Door haar economisch succes waarvan inlandse vorsten afhankelijk werden of tenminste profiteerden en door haar continuïteit en stabiliteit werd ze pas langzaam een politieke macht van betekenis die tenslotte grote delen van Java en Ceylon beheerste. Ondertussen was de Westindische Compagnie altijd een zorgenkind gebleven. Deze was zo nauw verbonden met de strijd tegen Spanje dat ze zich daarbuiten nauwelijks kon handhaven temeer omdat op de betrekkelijk eenvoudige vaart naar de West een handelsmonopolie niet effectief te handhaven was. Terwijl de VOC grote winsten afwierp, bleef de functie van de WIC vooral de instandhouding van de investeringen in Suriname.

Slavenhandel

Een boek als dat van Van Goor heeft als vanzelf een revisionistisch karakter. Van allerlei aspecten van de koloniale geschiedenis zijn in de loop van de tijd interpretaties gegeven en Van Goor kan er niet omheen zich daarover nu en dan uit te spreken. Hij doet dat altijd voorzichtig maar zijn positie is duidelijk. Ze blijkt bijvoorbeeld uit zijn beoordeling van Jan Pieterszoon Coen die hij - na de polemiek over hem vermeld te hebben - schetst als een bekwaam, origineel en rechtlijnig bestuurder wiens strakke logica hem weleens verleidde tot 'omstreden' straffen en beslissingen. Het woord 'omstreden' gebruikt de auteur ook op andere plaatsen: hij is zich de discutabele aard van sommige handelingen bewust, maar houdt zijn persoonlijk oordeel op de achtergrond.

Coen is natuurlijk hét symbool geweest van het op Indië gerichte nationalisme dat zich in Nederland vooral vanaf het einde van de vorige eeuw ontwikkelde. Toen in 1893 te Hoorn een standbeeld van de calvinist Coen werd onthuld, was - als teken van het overheersende nationalisme - de katholieke politieke voorman Schaepman feestredenaar: 'Hulde aan zijn onbaatzuchtigheid, zijn zelfverloochening, zijn zelfopoffering. Hulde aan zijn voortvarendheid, zijn volharding, zijn heldenmoed. Hulde aan zijn vorstelijke wijsheid.' De bekende spreuk van Coen dat er in Indië wel iets 'groots' zou kunnen worden gedaan, werd tot vervelens toe herhaald en diende in aangepaste vorm omstreeks 1940 als arrogante titel van het imposante overzichtswerk Daar wèrd wat groots verricht... Nederlandsch-Indië in de XXste eeuw. De geweldige pretenties van dit nationalisme en van de omstreeks 1900 ingevoerde 'ethische politiek' hebben vanzelfsprekend velen later geërgerd.

Het ongenoegen gold ook de Nederlandse slavenhandel tussen Afrika en Amerika uit de voor-nationalistische tijd. In de bespreking hiervan blijft Van Goor zichzelf trouw. Hij noteert dat de Zeeuwen en Hollanders die thuis slavernij verwierpen weldra tot de grootste slavenhandelaars behoorden, hij laat de economische context van de slavenhandel zien en het belang dat de vervoerders hadden bij behouden overkomst van hun 'koopwaar', wijst erop dat de sterfte op de schepen weliswaar hoog was maar niet hoger dan die van de opvarenden in loondienst en zegt het een en ander over de vernederingen die de slaven moesten ondergaan. Voor zijn beschrijving van de verhouding tussen 'heer' en 'slaaf' in Suriname maakt Van Goor gebruik van literatuur die deze verhouding in een 'grensgebied' plaatst: een pionierssamenleving waarin de remmingen van een geordende maatschappij ontbreken zodat de machtsverhouding tot grove ontsporingen kan leiden. Hij had deze voorstelling ook kunnen gebruiken voor de vergelijking - die hij met enige slagen om de arm wel wil maken - met de latere koelies, elders geronselde arbeidskrachten die onder soms barbaarse omstandigheden werkten op plantages in de uithoeken van Suriname en vooral Sumatra.

Mannelijkheidsvertoon

Het 'macho-gedrag' dat Van Goor in navolging van anderen bij de 'heren' bespeurt, kon in de verhouding met de koelies grof geweld betekenen. Over de vraag of dit incidenteel voorkwam of de koloniale verhouding typeerde, is veel te doen geweest. Misschien zou de koloniale relatie in haar geheel verduidelijkt kunnen worden door haar te beschrijven vanuit het aspect van het mannelijkheidsvertoon. Niet alleen de stoere-jongens-houding van de planters zou dan behandeld moeten worden, maar ook de houding van de Nederlanders in patria. In het imperiale Groot-Brittannië kweekte het onderwijs doelbewust de 'mannelijkheid' van toekomstige koloniale ambtenaren en militairen aan; in Nederland was dit minder het geval. In de oudere koloniale geschiedschrijving klinkt echter wel voortdurend bewondering voor de stoere, mannelijke mentaliteit van de handelaren en kolonisatoren en wordt teruggang van de Nederlandse positie vaak verklaard als een gevolg van de verslapping daarvan.

In een verhaal over dit aspect van de koloniale verhouding zou tenslotte de positie van de vrouwen niet mogen ontbreken. De koloniale samenleving is heel lang een mannensamenleving gebleven waarin de Europese vrouwen een kleine minderheid vormden. Inlandse vrouwen konden een rol spelen als baboe of maîtresse. Van Goor staat bij hun positie stil en het is niet aan gebrek aan aandacht te wijten dat hij ergens schrijft over 'vrouwen, voedsel en andere benodigdheden'. Dergelijke wat al te nuchtere zinswendingen die een indruk van onachtzaamheid wekken komen ook in ander verband voor.

Kloof

De opbouw van het boek is zorgvuldig, maar dat geldt niet altijd voor de individuele zinnen ervan. Van Goor is in dit boek niet primair geïnteresseerd in beeldvorming of sfeer die met literaire middelen beschreven zouden moeten worden, maar geeft een helder en afgerond verslag van de geschiedenis van het Nederlandse kolonialisme. Het boek is op het eerste gezicht degelijk uitgegeven. De uitgever had echter nog wel wat tijd mogen besteden aan het opsporen van de typefouten, het overdenken van de spelling van geografische namen en had meer werk kunnen maken van de kaartjes. Een lijst van gebruikte inheemse begrippen zou nuttig geweest zijn. Het literatuuroverzicht tenslotte is aardig maar kan het gemis van precieze informatie via voetnoten niet vergoeden.

Van Goor heeft zijn boek niet alleen voor de specialist geschreven, maar ook voor het algemene publiek en zeker voor studenten. Hoe zullen zij het boek lezen? Een overeenkomst tussen de nationalisten en hun tegenstanders is de voorkeur voor de eerste persoon meervoud. 'Wij' hebben het goed gedaan in Indië, of 'wij' hebben ons misdragen. Het is de vraag of deze wij-vorm een jongere generatie nog zal aanspreken. Wij? zal zij zeggen, wat heeft onze leeftijdsgroep te maken met de deugden of ondeugden van de (over)grootouders? De huidige studenten zijn voor een deel geboren na de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname en hun ouders hebben de onafhankelijkheidsstrijd in Indië niet of nauwelijks bewust meegemaakt. Voor de tegenwoordige generatie studenten is Indië geschiedenis.

Met welke benadering van die geschiedenis zal zij affiniteit hebben? Hoe zal zij zich betrokken kunnen gaan voelen bij het Nederlands-Indische verleden? In ieder geval kan zij de Nederlandse koloniale geschiedenis in haar samenhang bij Van Goor beschreven vinden. De sfeer en de erbij betrokken emoties zal zij elders moeten zoeken, in sommige bladzijden van Du Perron bijvoorbeeld of in het werk van de generatie die het nog juist heeft meegemaakt en terugkijkt. In een onlangs uitgezonden tv-interview benadrukte Hella Haasse dat zij de herinneringen aan haar geboortegrond koestert, maar dat dit niet hetzelfde is als de romantisering van tempo doeloe. Rudy Kousbroek gaat een stap verder; ook hij neemt zijn herinneringen serieus en hij verdiept zich in zijn 'nostalgie', het besef van de kloof die hem onherroepelijk scheidt van zijn in Indië achtergebleven verleden. Anders dan gebruikelijk betekent nostalgie voor Kousbroek geen passieve mijmering maar aansporing zich kritisch, actief en voor alles zeer betrokken met het Indische verleden bezig te houden. Het verlangen blijft: 'Schaamte, spijt en verlangen, dat zijn voor mij de emoties verbonden aan ons koloniale verleden, maar de meeste van deze is het verlangen.' Nog even en dit verlangen bestaat alleen nog in schriftelijke vorm.