Not waving but drowning

Weinig emoties in het leven zijn vergelijkbaar met het gevoel dat men op het punt staat een trein te laten ontsporen. Als kind placht ik bij mijn grootouders in Ierland te logeren, in Co Wicklow; hun huis lag aan een weg die in de ene richting naar het dorpje en de winkels leidde en in de andere richting naar de zee en de spoorlijn. Als je naar het dorp ging kon je, als je tenminste geld had, het stripblaadje Superman kopen, dat in Engeland, waar we woonden, niet verkrijgbaar was; en HB ijs in de vorm van een dikke plak, gemaakt van echte room (en niet van worstvet zoals in Engeland), die van een groot blok werd afgesneden. Lekkerder dan enig ijs dat ik sindsdien ooit heb geproefd. Tot zover het dorp; ging je daarentegen de andere kant op, naar zee, dan kon je je uitleven op de trein.

Het was de directe spoorverbinding tussen Dublin en Wexford die van Dublin tot Wicklow langs het strand loopt. Het meest spectaculaire gedeelte is het stuk voorbij Bray Head, met aan de ene kant de heuvels en aan de andere kant de zee, en dramatische uitzichten op Killiney Bay; verderop, waar wij waren, was het uitzicht minder indrukwekkend; het enkele spoor loopt, langs het grindstrand, met in de verte de bergen van Wicklow. Aan de zeekant was (en is) het talud versterkt met reusachtige basalt- en betonblokken die daar lijken te zijn aangespoeld. Vroeger, v==r mijn tijd, in de dagen dat Ierland nog bedekt was met een dicht spoorwegnet, was daar een station; er was alleen nog een perron van over. Treinen stopten daar sinds mensenheugenis niet meer. Een paar keer per dag kwam er een trein langs.

We gebruikten pennies, nog het oude model, in mijn geheugen enorme munten zo groot als rijksdaalders; die legden we voorzichtig op de rails en trokken ons vervolgens op veilige afstand terug om de gevolgen te zien. Een of andere voorzichtige volwassene had ons dit spel verboden: de trein zou kunnen ontsporen. Dat was niet zo'n goede psycholoog als een oude vriend van mij wiens zoon graag met lucifers speelt. Ze wonen in een huis met een rieten dak en hij vertelde mij eens dat hij altijd zorgvuldig heeft vermeden het kind te waarschuwen voor de gevaren van riet en vuur, vrezend dat het dan meteen zou gaan experimenteren. Als de trein langs kwam zwaaiden we heel schijnheilig naar de machinist, en deze, in zijn onwetendheid, zwaaide altijd terug.

In dezelfde onwetendheid - terwijl de trein, nog stevig op de rails, langs ons denderde - deden dat vele passagiers. Toen ik jaren later zelf eens in die trein zat wuifde ik ook naar de kinderen langs de spoorlijn; er stonden er altijd wel een paar, vermoedelijk ook wachtend op het vreselijke ongeluk. Nadat de trein was verdwenen gingen we naar de pennies zoeken, die vaak zeer ver van de rails terecht waren gekomen, maar altijd op interessante wijze waren geplet en gekromd.

Die plek is nog precies zoals vroeger. Nog steeds maar een paar treinen per dag en nog steeds toeteren ze als ze er aan komen; het zijn vermoedelijk ook nog dezelfde treinen. Op een dag vorig jaar, omstreeks zes uur in de namiddag, gebeurde er iets onverwachts: de trein kwam en stopte bij het half overgroeide vroegere perron, en een paar mensen stapten uit. Het was als een spooktrein uit het verleden, alsof we achteruit waren gegaan in de tijd. Er is bij dat vroegere station geen enkele indicatie meer, geen naambord, niets dat er op wijst dat een trein er zou kunnen stoppen. Een onofficieel en vriendschappelijk arrangement met de machinist? Voor een vreemdeling in die trein moet het in elk geval een wonderlijke ervaring zijn geweest, mensen die uitstappen midden in een leeg landschap. Het perron was ook veel te kort voor de trein (maar dat komt in Ierland wel meer voor: de conducteur loopt dan de trein door als die het station nadert om te vertellen dat passagiers die er daar uit willen naar het voorstuk van de trein moeten gaan). Hoewel ik beslist geen pennies op de rails had gelegd schrok ik toch even toen hij stopte, het was of mijn vroegere misdaden mij hadden ingehaald.

Die treinen waren, en zijn nog steeds, een deel van het landschap, een soort vriendelijke draken, vertrouwd en sterk en onderailleerbaar. Wanneer je ze hoorde kwam je van het strand aanhollen en je stond klaar om te zwaaien, en zo gaat het nu nog. “Wat voor trein is dat?” vroegen we aan een plaatselijk jongetje toen we op een onverwacht uur de toeter hoorden. “O”, antwoordde hij op vanzelfsprekende toon, “dat is de ammoniaktrein.” De wat? En waarachtig, op de oude diesellocomotief volgde een optocht van besmeurde tankwagons waarop in grote letters het woord 'AMMONIA' stond te lezen. Deze trein gaat elke dag dwars door Dublin, en niemand is daar erg blij mee. De volgende keer dat we hem zagen langskomen zwaaiden we en ja, de machinist wuifde terug; het moet een eenzame functie zijn.

En nu, ver van het land mijner vaderen heeft zowaar de geschiedenis zich herhaald en mij opnieuw neergezet op een plek waar de treinen niet stoppen. Daar sta je, op het tochtige perron, en er wordt omgeroepen: “Over enkele ogenblikken zal een trein passeren op spoor 8. Deze trein zal hier niet stoppen. De reizigers worden in verband met hun veiligheid verzocht niet te dicht bij de rand van het perron te staan.” Je doet wat je gevraagd wordt en kijkt verwachtend uit wat er voor exotische spooktrein zal verschijnen - een Koninklijke trein misschien, of de Hollandse ammoniaktrein? - en dan raast een Belgische locomotief uit de regen het station binnen, gevolgd door een lange rij fraaie grijze SNCF-wagons. Op de borden op hun flanken staat in grote letters Paris-Nord (en, kleiner, nog wat irrelevante plaatsnamen: Bruxelles, Mons, Saint-Quentin) met daaronder, ondersteboven, Amsterdam.

Daar zitten ze, de geluksvogels, in de verlichte coupés met hun

paspoorten en hun Franse franks, op weg naar de stad waar ik 20 jaar heb gewoond, en kijken zonder nieuwsgierigheid naar ons, provincialen op het achtste perron, in een station dat te onbelangrijk is voor hun trein. Niemand wuift. Terwijl ik daar sta en de achterlichten zie verdwijnen valt de stilte weer over het station; voor een ogenblik werd ons een blik gegund op het werkelijke leven, maar nu zijn we weer in de uiterste duisternissen terug.

    • Sarah Hart