Kadaverdiscipline

Een van de grootste fouten die het Nederlandse leger na de Tweede Wereldoorlog beging, was het instellen van de discipline zoals die in het Britse leger werd gehandhaafd.

Natuurlijk, iedereen droeg een Canadees (later Brits) uniform, met de hoge zwarte schoenen, de enkelstukken, de battle dress (het eerste grijs en het tweede grijs - terwijl het allang niet meer grijs was maar een soort groenig kaki, groener dan het kaki van de Britten), de koppel, de pukkel, het draagriemenstel en de baret of de Britse helm.

Een groot deel van de discipline, misschien wel het grootste, bestond uit het onderhoud van het uniform.

Al die hulpstukken waren gemaakt van webbing, een geweven soort jute, maar dan dikker, en die webbing moest geblanco'd. Daartoe had je een groenachtige schijf van een kleiachtige substantie, die, indien nat gemaakt, een soort pasta vormde die over de webbing moest worden uitgestreken, een beetje als plamuur. Het grove patroon van het weefsel verdween dan onder die laag pasta en werd, na droging, enigszins glad. Hiermee moesten de enkelstukken, de koppel, de pukkel en het draagriemenstel gedaan worden en het waarom ontgaat me tot op heden. De enige reden die ik kan bedenken is dat de onzinnigheid ervan tot een zuivere vorm van discipline leidt: je laat iemand iets doen waarvan de zin hem (en verder iedereen) ontgaat, louter en alleen 'omdat het moet'.

Maar we waren er nog niet.

Overal op de webbing zaten koperen gespen, want met die gespen kon je de boel op de juiste lengte krijgen. Vooral de gespen van de koppel zaten buitengewoon goed vast op de geblanco'de ondergrond. En alles wat koper was, moest gepoetst worden. Glimmend. Ook op de baret zat koper: het embleem van het onderdeel, gestoken met twee ogen door een vierkant ondergrondje, in de kleur van het onderdeel.

Het kwam er eenvoudigweg op neer dat alle koper ongelukkig zat. Je kon het niet goed poetsen zonder de geblanco'de ondergrond zwart te maken. Poets op blanco werd zwart. De blanco werd weer nat opgebracht en dat verpestte het glimmende koper weer, want nat op koper = dof. De meeste gespen zaten vast, maar door ingenieus gepriegel kon je het embleem van je baret en dus van die gekleurde stoffen ondergrond krijgen om het goed te poetsen. En evenzo de koppelgespen, die moeizaam over het blanco schoven als je de koppel helemaal uit elkaar haalde, want die greep aan de achterzijde met twee koperen haakjes in stugge uitsparingen in de webbing, waarbij je, om ze erin te krijgen, de koppel moest dubbelvouwen, in de lengte, waarbij uiteraard de gladde blanco ging barsten.

Het poetsen van de knopen van het uitgaanstenue was hierbij een peuleschil: je werkte daar met een knopenschaar, een stuk karton met een gleuf die je achter de knoop schoof zodat je naar hartelust kon poetsen zonder de achterliggende stof zwart te maken, want ook hier was de uitwerking van koperpoets zwart.

Eventueel kon je de knopenschaar ook bij het embleem van de baret gebruiken, maar bij de koppel, de enkelstukken en het draagriemenstel was dat onmogelijk.

Bij dit alles kwam natuurlijk nog het poetsen der schoenen en het persen der vouwen.

Om het onzinnige goed te onderstrepen, droeg een kapitein me tijdens een oefening op zijn koppel te blancoën. Toen ik het aan het doen was kwam hij bij me staan en zei: “Ach kijk, gaat dat zo!” Hij gaf daarmee aan dat hij niet wist hoe het ging, maar het wel de hele dag beoordeelde.

Er waren echter, zelfs in mijn tijd, soldaten die zich afvroegen waar dat in hemelsnaam allemaal voor was, dat poetsen en blancoën en dat zette veel kwaad bloed. Dit soort zuivere discipline is niks voor een Nederlandse soldaat die over alles wil weten waar het voor is. Daarom zijn het ook zulke goede soldaten, want er hoeft maar even iets anders te gebeuren, of ze improviseren. daar zijn ze fantastisch in.

In een internationale oefening in Duitsland zwommen drie kanonniers naar de overkant van een rivier omdat ze hadden gezien dat daar de keukenwagens van de vijand langs kwamen. Zo stuurden ze de hele ontplooiing van de tegenpartij in de war. Een Amerikaanse generaal vroeg me wie dat bevel gegeven had. Het kostte me de grootste moeite hem uit te leggen dat ze het zelf hadden bedacht, en dat ze een bevel de rivier over te zwemmen in oktober zeker niet hadden opgevolgd.

Zo zijn Nederlandse soldaten, en zo zijn ze nog, zo lees ik in verslagen uit Tuzla en zo. Goed in improvisatie, goed opererend in kleine groepen, onder leiding van een korporaal of een sergeant.

Het Britse leger had die poets-discipline juist nodig. Op de dag na D-day werd blanco en koper geïnspecteerd door een officier en een onderofficier, bij een uitgeputte compagnie die net achter de duinenrij was ingegraven, na een nacht van hevig granaatvuur. “Jenkins”, zei de luitenant tegen de sergeant, “enkelstukken vuil. Drie dagen licht.”

Drie dagen licht! Licht arrest was dat je de kazerne niet uitmocht en de kantine niet in... Maar toch maakte zo'n straf op die jongens de indruk dat alles heel gewoon was.

Maar bij ons werkte dat niet. Ignatius van Loyola, die het woord kadaverdiscipline uitvond (of hij ook aan de exercitie dacht is onbekend, wel schreef hij over de exercitia spiritualia), was geen Nederlander.