Indië en het collectieve geheugen

J.A.A. van Doorn: De laatste eeuw van Indië. Ontwikkeling en ondergang van een koloniaal project 363 blz., geïll., Bert Bakker 1994, ƒ 45,-

Het koloniaal verleden is actueel verleden; 'Indië' is voorbij èn heden. Dwangprostitutie en de zaak Poncke Princen (1993), de affaire-Pronk met de Indonesische weigering van Nederlandse ontwikkelingshulp (1992), de krans van Kaifu die in het water belandde (1991); de laatste tijd worden politiek en publiek regelmatig aan de koloniale periode herinnerd. Genoemde incidenten sluiten vrijwel naadloos aan bij georganiseerde herinneringen zoals een boekenweek over Indië (1992) of de film Oeroeg (1993) met zijn bioscoopbrede beelden van Nederlandse oorlogsdaden uit de periode 1945-1949.

De politicoloog A. Lijphart typeerde het verlies van Indië in 1966 reeds als collectief trauma, een trauma dat werd verdrongen en gesublimeerd in een irrationeel vasthouden aan het koloniale restant Nieuw-Guinea. Nu, na bijna vijftig jaar, is het een trauma met twee gezichten geworden. Niet alleen pijn over het verlies van Indië, maar - voor een jongere generatie - schaamte over het koloniale verleden bepaalt vorm en inhoud ervan. Het effect blijkt hetzelfde. Verguizing leidt evenals verheerlijking van tempo doeloe tot verdringing van de historische realiteit.

Genoemde incidenten kunnen dan ook worden beschouwd als inbreuken vanuit een collectief onderbewuste. Het zijn momenten van herbeleving van een weinig gewaardeerd koloniaal verleden dat voor alle betrokkenen gepaard gaat met grote emoties. Blijkbaar leeft het koloniaal trauma onbewust voort en komt het zo nu en dan onverwachts heftig aan de oppervlakte van het collectieve bewustzijn.

Naast of gebruik makend van deze incidenten hebben verschillende groeperingen de afgelopen vijfentwintig jaar het koloniale verleden in herinnering geroepen. Direct betrokkenen (ex-geïnterneerden van de Japanse kampen, ex-militairen en Molukkers) vroegen door actie en organisatie vanaf het eind der jaren zestig aandacht voor hun belangen, die door de opbouw van naoorlogs Nederland na 1950 in de doofpot waren geraakt. Schrijvers voerden Indië/Indonesië vanaf 1970 in memoires, 'terugkeerliteratuur' en romans opnieuw ten tonele. Daarnaast deden professionele 'herinneraars', historici en verwante wetenschappers, hun werk. Van deze beroepsherinneraars is de socioloog J.A.A. van Doorn, een belangrijk representant. Met zijn Ontsporing van geweld uit 1970 (samen met J. Hendrix) staat hij aan het begin van de periode van rekenschap van Nederlands militaire daden, c.q. oorlogsmisdaden, in de periode 1945-1949. De laatste eeuw van Indië, een verzameling eerder gepubliceerde en ongepubliceerde artikelen, is van eenzelfde kwaliteit.

Alleen al door de typering en de beeldvorming van het Nederlands bewind scherpt dit boek de koloniale herinnering en maakt het verwerking van koloniaal trauma mogelijk. Verwerking impliceert herbeleving van de trauma-ervaring, integratie ervan in het levensverhaal en eventueel adaptatie van zelfbeeld en levensvisie. Dat patroon, geldig voor het individu, geldt ook voor het collectieve, met dit verschil dat bij herinnering en verwerking van het collectieve trauma verschillende groeperingen en generaties betrokken zijn.

De collectieve herinnering van het koloniale verleden zoals die in de landelijke politiek vormt krijgt, zou dan ook idealiter zowel voor oud-Indiëgangers als voor een kritische generatie van twintigers herkenbaar moeten zijn. Of dat lukt, is mede afhankelijk van het gemeenschappelijk herkend verhaal, de gemeenschappelijke kennis van dat verleden. Van Doorn vertelt zijn visie op dat verhaal met afstand en inzicht en bevordert daardoor het gesprek over het koloniale verleden.

Bedrijfsvoering

Want was was 'Indië'? Van Doorn geeft een aantal duidelijke antwoorden: in de eerste plaats een ambtenarenstaat. Van de actieve Europese bevolkingsgroep was in 1860 bijna 50 procent, in 1930 28 procent ambtenaar, in Nederland toen slechts zes procent. Dat had gevolgen voor de koloniale bedrijfsvoering, die bureaucratisch centralistisch was. Fraaie karakteristieken van die bedrijfsvoering sieren het boek. Het was “nauwkeurig en netjes, ijverig en nuchter, zuinig en fatsoenlijk, fantasieloos maar gedegen”. Het was goedwillend en grondig, paternalistisch en beredderend.

Maar 'Indië' was meer dan dat: het was ook een technocratie, een bestel dat rustte op technische kennis en prestaties en dat aan technici een opvallend belangrijke maatschappelijke functie toekende. Een bestel dat - Van Doorn maakt hier een verhelderend onderscheid - veeleer steunde op civilisatie dan op cultuur, meer op doelgerichte intellectuele inspanning dan op vrije creativiteit. Het aantal academici onder Europeanen was ongekend hoog, tien maal zoveel als in Nederland. Dit in schril contrast tot Indonesische geschoolden, ook al was - significant voor het technocratisch gehalte van de koloniale samenleving - de Technische Hogeschool te Bandung in 1920 de eerste vorm van hoger onderwijs. Ingenieurs, werkzaam bij spoorwegaanleg, in de irrigatie en de inheemse landbouw, vormden dan ook in de twintigste eeuw een belangrijke concurrent en medespeler van de ambtenaar.

Indië was bovendien een reusachtig 'koloniaal project', gedefinieerd als “een duidelijk begrensbaar, tijdelijk systeem van collectief handelen, gericht op een welomschreven opdracht of de oplossing van een specifiek probleem”. Die opdracht bestond uit het tot ontwikkeling brengen van land en volk; tijdelijkheid was daarbij impliciet en onvermijdelijk. Het is een van de aardige, zij het discutabele stellingen van dit boek. Projectorganisatie impliceert namelijk grote planmatigheid en duidelijke doelen. In een eerder artikel geeft Van Doorn echter zelf de grenzen aan van dat project. Een van de belangrijkste doelstellingen vormde immers de integratie van Oost en West, synthese van alle bevolkingsgroepen. Het was echter de 'projectleiding' zelf, die dat doel onbereikbaar maakte door de handhaving van een dualistisch systeem van bestuur en onderwijs, scheiding in een Europese en inlandse sector. Dat dualisme blijkt zich zelfs te hebben uitgestrekt tot de armenzorg in de jaren dertig. Het was een van de paradoxen van het koloniale bewind: streven naar eenheid door organisatie van het verschil.

De beoogde synthese raakte in de twintigste eeuw door de organisatie van de verschillende bevolkingsgroepen (Indonesiërs, Chinezen en Europeanen) in eigen politieke partijen verder uit het zicht. De koloniale staat zelf bleek als middelaar uiteindelijk over onvoldoende bindende kracht te beschikken om de tegenstellingen te overbruggen. Het project was wat dat betreft gedoemd te mislukken.

Opbouw

Een project hoeft zijn doelstellingen natuurlijk niet te halen om toch project te zijn. Er zijn tal van overeenkomsten tussen de projectorganisatie en het koloniale bewind, die het beeld tot een verhelderende metafoor bestempelen. Experimenten gingen aan bestuurlijke en technische hervormingen vooraf. Nederland fungeerde als 'uitzendbureau' van vooral mannen in de produktieve leeftijd met korte carrières. Talloze debatten over de toekomst van het project omlijstten de activiteiten. Het waren debatten over de hoofden van de direct betrokkenen, de Indonesische bevolking, heen.

Wat deed dat project voor de (althans in naam) belangrijkste doelgroep, de Indonesische bevolking? Bracht het vooruitgang door aanleg van een infrastructuur, veroorzaakte het stagnatie van de inheemse economie, ofwel, een derde wetenschappelijke visie, leidde het tot een volledig gescheiden optrekken van een inheemse en een Westerse economie, een economisch dualisme?

Een case study over ontwikkelingen in de West-Preanger tussen 1880 en 1910 wijst met nuances op stagnatie. Het waren Europeanen en Chinezen die na de openstelling van deze regio in 1870 van de aanleg van spoorwegen en wegen profiteerden. Sundanezen droegen hun vracht langs de aloude bergpaden naar hun bestemming, ook omdat dat het meest voordelig was. Ontsluiting van hun gebied betekende insluiting in de koloniale economie. Zij bracht echter niet een volledige afhankelijkheid. De Sundanese boer behield de eigen grond en daarmee een mogelijkheid tot eigen ontwikkeling; grond die hij gebruikte om thee te produceren en te leveren aan de Europese thee-ondernemingen.

Het koloniale project was immers tevens een ontwikkelingsproject. De overheid beschermde op momenten van spanning op de theemarkt deze bevolkingsthee tegen monopolisering van de markt door de Europese planters. Haar eigen belang als projectleider, namelijk planning en controle, verloor zij daarbij niet uit het oog. De crisis van de jaren dertig bood haar de kans om een alle partijen omvattende planeconomie voor de thee (en andere sectoren) te realiseren. Daarmee liep Indië voor op Nederland, dat een dergelijk bestel pas na 1945 wist te bereiken. De oorlog maakte vervolgens het project tot een, in veler ogen onvoltooide, niet geklaarde klus.

Waarom liep het project anders af dan de projectleider hoopte? Vanuit de leer van de projectorganisatie is het duidelijk. Men kan een project niet met succes doorvoeren over de hoofden van de betrokkenen heen. Oude vooroorlogse denkpatronen over een onverbrekelijke band met Nederland, een federale structuur en een multiraciale samenleving manifesteerden zich na 1945 in nieuwe vorm. Dat alleen al wees op 'herstel' in plaats van vernieuwing. Nederlanders konden zichzelf bovendien niet wegdenken uit de kolonie. Het loopt als een rode draad door tal van hoofdstukken heen. Of het nu ging om ingenieurs, om ambtenaren die wisten wat goed was voor de inheemse bevolking, om planters of om generaal Spoor die zichzelf een adviseursfunctie voor het nieuwe leger toedacht, allen achtten zich onmisbaar voor de opbouw van de vroegere kolonie.

De conclusie is duidelijk. Omdat Nederlanders zich niet uit Indonesië weg konden denken, valt Indië/Indonesië nu niet uit Nederland weg te denken. Het slothoofdstuk 'De verwerking van het einde' geeft een kort overzicht van de spanningen hierover in Nederland na 1950. De vraag naar het typisch Nederlandse van die verwerking en naar ervaringen elders in Europa komt niet aan de orde.

Waarom speelt het koloniale verleden hier een prominenter rol dan in de buurlanden en medekolonisatoren Engeland en Frankrijk? Qua intensiteit laat het Nederlands trauma zich nog het meest vergelijken met de Franse reactie op het verlies van Algerije. Ook daar vindt men nu een collectief vergeten naast een ruime mate van literaire nostalgie en zelfrechtvaardiging. Ook daar bestond een nauwe verbondenheid, uitgedrukt in de presentie van een ruim aantal Fransen, een diepgaande culturele beïnvloeding en een bloedige koloniale strijd (1954-1962). Britten hebben blijkbaar niet onder de dekolonisatie geleden. Hun pijnpunt ligt dichter bij huis en is eigentijdser (Noord-Ierland).

Gouden Eeuw

Demografische, economische en historische verschillen kunnen de uiteenlopende reacties op het koloniaal verleden in Europa verklaren. In Nederland belemmerde de historische beeldvorming een soepele dekolonisatie. 'Indië' was onlosmakelijk verbonden met de glorie van de Gouden Eeuw en de rijkdommen van de VOC. Het had inhoud gegeven aan Nederlands pretentie als middelgrote macht op het internationale toneel. Nederland bezat er taak en functie.

Daarbij was Indië economisch relatief van groter belang voor Nederland dan Brits-Indië voor het Verenigd Koninkrijk. Tussen 1921 en 1938 droeg Nederlands-Indië gemiddeld jaarlijks een 8 procent bij aan het nationaal inkomen van Nederland, Brits-Indië aan het nationaal inkomen van Engeland gemiddeld slechts 1 procent. Ook demografisch was er een grotere betrokkenheid. In de jaren dertig beschikte Indië verhoudingsgewijs over bijna zeven keer zoveel Nederlanders als Brits-Indië over Britten. Nederlanders vormden 0,34 procent van de totale bevolking (240.000 personen); Britten een 0,05 procent (168.000 personen).

Japanners interneerden dan ook in 1942 meer Nederlanders in Indië dan Britten in Malakka en Burma. De Fransen in Indo-China ontkwamen door de collaboratie van de Vichy-regering aan dat lot. Ook het aantal direct bij de dekolonisatie en de periode 1945-1949 betrokkenen was daardoor in Nederlands-Indië groter dan elders. De koloniale oorlogen tussen 1945-1949 brachten nog eens 100.000 Nederlandse militairen in Indië, een aantal dat Engeland in India niet op de been hoefde te brengen.

Wijs geworden door de afscheiding van de Amerikaanse kolonie aan het eind van de 18de eeuw en geoefend in nieuwe vormen van internationale organisatie (de Commonwealth), voerde de Britse regering een pragmatisch beleid van dekolonisatie. De oorlog, die op de onafhankelijkheid van India in 1947 volgde, was een burger-, broeder- of burenkrijg tussen India en Pakistan. De koloniale strijd was vermeden. Waar de Britten na 1950 slag leverden, in Malakka, op Cyprus en in Kenia, betrof het gebieden met een beperkt aantal Britse settlers of regio's die pas sinds de tweede helft van de 19de of het begin van de 20e eeuw onder Brits bestuur waren gekomen. Geen 'jewels in the crown', geen Gordels van Smaragd.

Inzicht

Nog steeds vormen de in Indonesië geborenen de grootste groep immigranten in Nederland (188.000). Inclusief de tweede generatie betekent dit, zoals Van Doorn berekend heeft, dat een groep van 450.000 min of meer met 'Indië' verstrengeld is. Voegen we daarbij de 100.000 Nederlandse militairen en hun nageslacht, dan telt die groep een 750.000 personen, ofwel vijf procent van de huidige 15 miljoen Nederlanders. Het getal is betrekkelijk. 'Indië' is namelijk niet uitsluitend het koloniaal verleden van die minderheid maar nationaal verleden, een minder populair deel van de recente geschiedenis van Nederland. Daarover neemt in momenten van crisis en incident niet de vijf procent maar het parlement zijn beslissingen en daarover spreekt een breder publiek mee.

Men mag dan toch een veelzijdige collectieve herinnering en inzicht in die eigen geschiedenis verwachten. Het koloniaal verleden dient noch te worden verguisd noch te worden verheerlijkt; het dient te worden gekend. Nostalgie is even onvruchtbaar als afwijzing op morele gronden. Kennis van de geschiedenis is niet gediend bij de zwart-wit-patronen van goed en kwaad, maar bij inzicht in de vele tinten grijs daartussen. De laatste eeuw van Indië, zeer leesbaar en toegankelijk voor een breed publiek, levert er het materiaal voor.

    • Elsbeth Locher-Scholten
    • Verbonden aan de Vakgroepen Geschiedenis
    • Vrouwenstudies van de Universiteit Utrecht