Imperialisme in de periferie

Elsbeth Locher-Scholten: Sumatraans Sultanaat en koloniale staat. De relatie Djambi-Batavia (1830-1907) 368 blz., geïll., KITLV Uitgeverij 1994, ƒ 50.-

'Ons Indië' bestond in de negentiende eeuw nog niet. Het werd pas aan het eind van de eeuw tamelijk abrupt gecreëerd. Eigenlijk was alleen Java vast in Nederlandse handen; de Nederlandse aanwezigheid in de rest van de Archipel was flinterdun. Dat Indië toch als 'Nederlands-Indië' te boek stond werd bepaald door de internationale politiek, en wel in de eerste plaats door Engeland. Dat land garandeerde Nederland zijn koloniale invloedssfeer in de Archipel.

Maar van een machtige beschermheer kan natuurlijk ook een bedreiging uitgaan. Engeland wilde om strategische redenen een flinke vinger in de pap houden, vooral als het ging om Sumatra en Borneo. Bovendien was Nederland verplicht, krachtens het met Engeland gesloten verdrag van 1824, contracten met inheemse vorsten en militaire expedities te melden te Londen. Dat gaf regelmatig aanleiding tot diplomatieke irritaties en problemen. Engeland moest te vriend gehouden worden, maar tegelijkertijd wilde Nederland zich niet alles laten gezeggen en verdedigde het hardnekkig zijn invloedssfeer in Azië.

Dat Nederland gestaag werkte aan de uitbreiding van zijn gezag binnen de erkende koloniale invloedssfeer wordt duidelijk uit het nieuwe boek van de Utrechtse historica Elsbeth Locher-Scholten. Het is een case-study van de Nederlandse betrekkingen met het sultanaat Djambi op Sumatra in de negentiende eeuw. Het is tegelijk een studie van het Nederlandse imperialisme in Indië. Over de aard, periodisering en betekenis hiervan is in de afgelopen jaren een discussie gevoerd waaraan historici als Kuitenbrouwer, Wesseling, à Campo, Van Goor, Fasseur en Lindblad hebben deelgenomen. De belangrijkste vragen waren de volgende. Heeft het Nederlandse imperialisme eigenlijk wel bestaan? Was het niet vooral een reactie op de veranderende machtsverhoudingen in de wereld na 1880? Kwam de drijfveer uit het moederland zelf of was de aanzet tot expansie te vinden aan de 'periferie', in de overzeese wereld? Wat waren de motieven en de doeleinden?

Lange tijd is veel gewicht gehecht aan het economische motief, maar de laatste jaren is het belang hiervan nogal gerelativeerd. De Nederlandse historici hebben zich uiteraard sterk gericht op het internationale debat over het Modern Imperialisme, dat al een kleine eeuw aan de gang is en hebben begrippen aan dit debat ontleend en op de Nederlandse situatie toegepast. Een voorbeeld hiervan is preemption, waarmee wordt bedoeld dat nog ongekoloniseerd gebied wordt geclaimd om anderen voor te zijn, zonder dat er onmiddellijk bestuur wordt gevestigd. Ook Locher-Scholten oriënteert zich op dit internationale debat.

Expeditie

Djambi was een obscuur gebied. Het was anderhalf maal zo groot als Nederland, moeilijk toegankelijk, dun bevolkt (in 1852 werd het aantal mannen geschat op 40.000) en onvruchtbaar. Het had een heterogene bevolking en een gefragmenteerde en voor Nederlanders totaal onbegrijpelijke politieke structuur, waarin een radja functioneerde. Diens onduidelijke gezag werd steeds door pretendenten uitgedaagd en hij verkeerde voortdurend in grote geldnood. Het Nederlandse bestuur in Batavia en de dichtstbijzijnde Nederlandse resident (in Palembang) wisten eigenlijk niets van het gebied en dat zou tot de eeuwwisseling zo blijven.

Het was de sultan van Djambi zelf die in de jaren 1830 contact zocht met de Nederlanders. Hij streefde er naar een contract te sluiten. Vermoedelijk verwachtte hij daar voordeel van: een versterking van zijn positie en natuurlijk een mooi jaargeld. Het contract kwam er, in 1833, en het was uiterst vaag. Terwijl de Nederlanders in de Nederlandse tekst lazen dat zij de soevereiniteit in Djambi uitoefenden, lazen de Djambiërs in de Maleise tekst iets heel anders. Maar het belangrijkste was natuurlijk dat de sultan er per jaar achtduizend gulden aan overhield.

Toen Batavia in de jaren 1850 het oude contract wilde aanscherpen vond het echter de nieuwe sultan, Taha, tegenover zich. Hij wilde alles bij het oude laten, dat gaf immers voldoende speelruimte. Batavia stuurde het KNIL erop af en Taha werd afgezet. Deze liet zich echter niet zo maar opzij schuiven en bleef in het binnenland actief. Hij verzette zich op duizend-en-een manieren tegen verdere Nederlandse invloed en bleef achter de schermen aan de touwtjes trekken. 'Driftig en voortvarend' vonden de Nederlanders hem, 'stevig, diplomatiek en consequent in zijn opvattingen', is Locher-Scholtens oordeel.

Taha en zijn niet aflatende machtsstrijd met de Nederlanders zijn het pièce-de-résistance van dit boek. Een nieuwe fase in deze machtsstrijd trad in toen een expeditie van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap in Djambi aankwam (1877). De invloed van deze overigens totaal mislukte onderneming was groot. Overal vormden zich lokale verzetsgroepen, kleinschalig en onder het 'vaandel van de islam'. Taha slaagde erin zijn positie in Djambi verder te versterken. De patstelling tussen hem en de Nederlanders duurde voort.

Continuïteit

Uiteindelijk waren het twee factoren die er een eind aan maakten: Snouck Hurgronje en de olie. Het was de islamoloog C. Snouck Hurgronje die in een uiterst kritische nota het tot dan toe gevolgde beleid afkraakte en de overheid adviseerde hardhandig in te grijpen. De ontdekking van olie in Djambi deed de belangstelling voor het gebied ineens toenemen. Tijdens een militaire campagne, door Locher-Scholten in een apart hoofdstuk behandeld, werd afgerekend met Taha en het sultanaat. In 1906 hield de oude orde op te bestaan en Djambi werd onderdeel van de koloniale staat.

Waarom al die moeite, vraagt men zich af, waarom dat decennia-lange touwtrekken om zo'n obscuur gebied en waarom de plotselinge omslag? In de eerste helft van de eeuw speelde vooral een rol dat Batavia de 'open plekken' op Sumatra met Nederlands gezag wilde vullen (overigens zo goedkoop mogelijk). Later in de eeuw ging het bestuurlijk argument de hoofdrol vervullen: het Nederlandse gezag werd uitgedaagd, het prestige was geschonden. Overal in Djambi zagen de bestuursambtenaren 'knevelarij' en 'uitbuiting', schandalige toestanden, waaraan een eind moest worden gemaakt door het opleggen van geregeld bestuur. Dat de omslag omstreeks 1900 tot stand kwam, past in het algemeen patroon. Tussen 1894 en 1910 werd de staatsvorming van Nederlands-Indië afgerond. Dat was mogelijk geworden door een politieke ommekeer in Den Haag; tactische en organisatorische vernieuwing in het koloniale leger; de technologische vooruitgang in het maritieme verkeer en in de communicatiemiddelen.

De goed geschreven en uiterst boeiende studie van Locher-Scholten levert het volgende beeld op van het Nederlandse imperialisme in de negentiende eeuw. De Nederlandse expansie vertoonde een grote mate van continuïteit. De hele eeuw door poogde Nederland met minimale en goedkope middelen zijn bestuurlijke invloed uit te breiden. Het initiatief daartoe lag nooit bij 'Den Haag' (daar zette men meestal een rem op gebiedsuitbreiding), maar altijd bij 'Batavia', of lokale residenten. Economische motieven speelden nauwelijks een rol, bestuurlijke des te meer.

Hoofdmotief en belangrijkste doel was het opleggen van geregeld bestuur, van gezag en orde, gelegitimeerd door ethische argumenten. Het was een ambtenaren-imperialisme, dat uitging van een orde-en-gezag-complex en dat zich bovendien gezagsgetrouw beperkte tot de oude, erkende grenzen van de Nederlandse invloedssfeer. In deze brave, 'legalistische' aanpak onderscheidde Nederland zich dus zeker van andere Europese mogendheden.

Moderne staat

Hoe belangrijk de beslissingen aan de periferie ook waren, in laatste instantie ging het toch vooral om de onweerstaanbare invloed van Europa op de politieke structuur van Azië. Het proces van de Nederlandse expansie introduceerde het concept van de moderne staat in de Archipel.

Aanvankelijk was de koloniale staat nog zwak en niet echt opgewassen tegen de inheemse staten, maar tegen het eind van de eeuw waren de rollen omgedraaid. Toen stelde de volwassen geworden koloniale staat, met zijn bestuurlijke, militaire en maritiem-technologische overwicht, nieuwe eisen aan de inheemse staten. Eisen waaraan de inheemse elite, opererend binnen het oude politieke kader, niet meer kon voldoen. De dagen van de inheemse staten waren geteld. Zo ging het met Djambi, en zo ging het met de rest. 'Ons Indië' was eindelijk werkelijkheid geworden.