Galilei

De crisis is in alle hevigheid uitgebroken, zegt Ghassan Ascha, terwijl hij met de handen in de zakken uit het raam van zijn kamer op de tiende verdieping van de Utrechtse universiteit naar buiten staart, alsof hij zo het stadsplein in Algiers kan zien liggen, de winkelstraten van Teheran, of de aula van de universiteit in Damascus, waar hij in de jaren zestig hooglopende debatten voerde met medestudenten over de mogelijkheid om de leer van Mohammed aan te passen aan de moderne tijd. Het was zo'n bruisende, spannende periode, vol verwachtingen, kansen, ongekende vooruitzichten. Dat optimisme wil hij vasthouden, die hoop dat na de crisis de renaissance volgt.

Misschien zal hij het niet meer meemaken, maar hij heeft zijn bijdrage geleverd, zegt hij met een onbewogen stem. Die bijdrage ligt voor mij op tafel: Du Statut Inferieur de la femme en Islam, gepubliceerd in Parijs. Hij heeft er zijn doctorsgraad mee gehaald en er in heel Europa bekendheid mee verworven. Hij houdt lezingen, referaten, hij voert discussies, gesprekken, hij heeft in Nederland een comfortabele positie op de theologische faculteit te Utrecht. Maar of het zin heeft? De mensen voor wie hij schrijft kunnen zijn werk niet lezen. “Ondenkbaar”, was het korte antwoord van uitgeverijen in Casablanca en Kairo, aan wie hij de Arabische versie van zijn boek ter publikatie had aangeboden. Het was ondenkbaar dat een boek over de verhouding tussen mannen en vrouwen in de Islam in deze tijd in een Islamitisch land zou kunnen verschijnen, en zeker een boek dat de Koran aanwijst als bron van onrecht.

In die zin is Ghassan Ascha verder gegaan dan feministen als Nawal el Saadawi of Fatima Marnisi. Zij zeggen dat de Islam op zichzelf niet vrouwvijandig is, maar dat het de geleerden zijn die de leer tegen de vrouwen keren. Ascha is het daar niet mee eens. Die Imams verzinnen niet zomaar wat, ze lezen wat er staat en het staat er echt. Het staat er zo echt dat je het niet kunt herinterpreteren. Je kunt het alleen nog schrappen.

De rol van de vrouw in moslimlanden wordt afgeleid uit twee bronnen: de rechtstreekse woorden van de profeet in de Koran, en de tradities die drie eeuwen later zijn opgetekend in de Soenna. Die Soenna, waarin plompverloren staat dat vrouwen minder verstand hebben dan mannen, neemt Ascha niet zo serieus. Het is een afgeleide bron, die deels bestaat uit gedachten van Godsdienstgeleerden over wat de profeet belangrijk zou hebben gevonden, maar niet zou hebben uitgesproken.

Maar uit de ruim zesduizend verzen in de Koran zelf krijgt men ook een duidelijk beeld van wat men dacht over de vrouw. Ze zou bijvoorbeeld een minder goed geheugen hebben, waardoor de getuigenverklaring van twee vrouwen gelijk werd gesteld aan die van een man. Ze zou tijdens de menstruatie onrein zijn en in die tijd geen moskee mogen betreden of geen Koran mogen lezen of aanraken - wat overigens ook voor de man geldt, als hij zich na een zaadlozing nog niet heeft gewassen.

Vrouwen krijgen een kleiner deel van de erfenis toebedeeld en ze hebben niet het recht zelf echtscheiding aan te vragen; ze moeten gesluierd gaan, in navolging van de negen echtgenoten van de Profeet, en ze kunnen door hun man worden gestraft en geslagen als ze ongehoorzaam zijn geweest. “Als je dit alles overziet kun je twee dingen doen”, zegt Ascha: “Je kunt zeggen dat de Islam een achterlijke godsdienst is die maar moet worden afgeschaft, zoals sommige Westerse Orientalisten beweren. Maar dan zou je ook het Jodendom, het Christendom, het Hindoeisme en het Boeddhisme moeten afschaffen, vanwege de vrouwvijandige gedachten die in die godsdiensten vervat liggen. En kun je een miljard gelovigen in veertig landen verbieden hun godsdienst te belijden? Dit soort vreemde ideeen zijn echt geopperd, ik heb er een boekenkast vol van staan. Het zijn meestal racistische, anti-Arabische gedachten die zijn overgoten met een wetenschappelijk sausje.”

Een tweede mogelijkheid, zegt Ghassan Ascha, is de Islam te hervormen, zoals hij en zijn medestudenten in Damascus en elders zich in de jaren zestig voor ogen stelden. De belangrijkste hervorming zou bestaan uit een scheiding van de rituele en de maatschappelijke voorschriften: “De Koran is een leidraad voor de geloofsbelijdenis: hij vertelt je hoe je moet bidden en vasten, wat je moet eten. Maar als aanwijzing voor hoe je de maatschappij moet inrichten is de Koran verouderd, dat spreekt vanzelf. Toch zijn sommige van die aanwijzingen, en vooral die welke betrekking hebben op de vrouw, opgenomen in de moderne wetgeving van veel Islamitische landen. Met als gevolg dat een vrouw bijvoorbeeld wel premier kan worden, omdat de Koran geen beperkingen oplegt aan haar politieke activiteiten, maar dat de getuigenis van die premier slechts voor de helft telt, omdat ze als vrouw een zwak geheugen heeft.”

De tijd van discussie en veranderingsgezindheid lijkt voorlopig voorbij, zegt Ascha met de bedaardheid die hem eigen is. Zijn vrienden en medestudenten die in de Arabische wereld zijn gebleven raken verstrikt in politieke intriges, ze worden opgejaagd, ze worden vermoord.

En hij schrijft hier in Utrecht een ondenkbaar boek. Hij glimlacht. Hij zoekt de Arabische versie van zijn proefschrift en legt het op tafel. Tweehonderd en tweeentwintig handgeschreven pagina's. Een degelijke, wetenschappelijke studie van de Koran en een gefundeerde kritiek op de moderne wetgeving ten aanzien van vrouwen. Niet hysterisch, niet agressief en zelfs niet onvriendelijk geformuleerd. Dat is zijn aard niet. De hysterie moet met kalmte worden overwonnen en zijn eigen lot, of het lot van zijn manuscript, vindt hij helemaal niet tragisch of deerniswekkend. “Ik zit hier veilig, ik word door niemand bedreigd, ik kan rustig alle boeken lezen en artikelen schrijven die ik wil.”

Ascha heeft zich ook met de Islam-discussie in Nederland bemoeid, toen die dankzij de bijdragen van Frits Bolkestein hysterische vormen begon aan te nemen. Op de Forum-pagina van de Volkskrant stelde hij drie jaar geleden vast dat de radicale hervorming van de Islam onvermijdelijk was, en dat het Westen juist deze hervormers zou moeten steunen, in plaats van de hitsige toon van de fundamentalisten over te nemen.

Dat was toen. Nu is dat fundamentalisme zich snel aan het verbreiden, zelfs in seculiere landen als Turkije. En in Algerije heeft de waanzin zijn dieptepunt wel bereikt, nu meisjes op straat worden doodgeschoten door fundamentalisten, als ze geen sluier dragen, en door anti-fundamentalisten, als ze wel een sluier dragen. Waar haalt Ghassan Asscha zijn hoop op hervorming vandaan?

Hij kijkt gelaten naar het manuscript op tafel. Met de handpalmen drukt hij de losse bladzijden van het ondenkbare boek tegen elkaar. Het is een liefdevol gebaar, en een antwoord op een oneerlijke vraag. Wat kan een handjevol weldenkenden beginnen tegen een meute moordende maniakken? Maar wat Ghassan Ascha ergert - of zoals hij het zegt: wat hem verbaast, is het gebrek aan solidariteit onder de hervormers zelf. Dat werd duidelijk in de Rushdie-affaire, toen ook sommige weldenkenden vonden dat Rushdie niet had moeten beginnen over de vrouwen van de profeet, omdat dat de Islam in het hart raakt. “Dat is het hart van de Islam, de verhouding tussen mannen en vrouwen. Wat Rushdie deed was dus zonder meer revolutionair. Aan Galilei zou je toch ook niet zeggen dat hij had moeten weten dat hij zou worden gestraft en dus had moeten zwijgen?”

    • Anil Ramdas