Een zekere Aziatische staat slaat toe

J.J. Nortier, P. Kuijt, P.M.H. Groen: De Japanse aanval op Java, maart 1942 328 blz., De Bataafsche Leeuw 1994, ƒ 39,50

“A bomb on Hawaii is a bomb on Java!” schijnt koningin Wilhelmina op of kort na 7 december 1941 verklaard te hebben. De verrassingsaanval door Japanse vliegtuigen op de Amerikaanse militaire lucht- en zeehaven Pearl Harbor betekende niet alleen het eind van de gewapende vrede in de Pacific, maar ook van anderhalf jaar Nederlands gemanoeuvreer om Japan te vriend te houden. Toen de aasgier van de Rijzende Zon nog boven onze Gordel van Smaragd cirkelde, heette hij in Nederlands diplomatiek jargon 'een zekere Aziatische staat'. In de zomer van 1940 had gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer van de regering in Londen nog het advies gekregen zich in Azië als 'een goede buurman' te gedragen en soepel te reageren op de Japanse wens om onbeperkt rubber, olie en metalen uit Nederlands-Indië te importeren.

Een paar uur na Pearl Harbor had Nederland Japan de oorlog al verklaard, nog voordat het omgekeerde gebeurde. Dat was vooral bedoeld als signaal naar de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, want zonder sterke geallieerde steun was Indië haast bij voorbaat verloren. Anderzijds hadden het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Australië er weinig zin in om een gebied te helpen verdedigen dat al verloren leek. Deze paradox bepaalde veel van wat helder, gedetailleerd en coherent beschreven staat in De Japanse aanval op Java, maart 1942. Achteraf gezien lijkt het weggegooid geld, de honderden miljoenen - miljarden nu - die Nederlands-Indië uitgaf aan bewapening tegen 'een zekere Aziatische staat'. KNIL-commandant luitenant-generaal H. ter Poorten zelf sprak later van “een verpletterende nederlaag”. Maar een klein deel van het verlies kan worden goedgemaakt met een objectieve beschrijving van wat er gebeurde en een analyse van de nederlaag. Militaire geschiedschrijving is onze dure plicht tegenover de doden en vermisten; kransleggingen alleen zijn niet genoeg.

In omvang is De Japanse aanval op Java alleen te vergelijken met het deel Java van de zevendelige KNIL-produktie Nederlands-Indië Contra Japan (1959-'61), maar de toon is aanzienlijk neutraler. Feitelijk is De Japanse aanval op Java ook beter. Volgens NICJ werd Java onder de voet gelopen door acht Japanse divisies: een kardinale onjuistheid, die ook nog eens als verklaring werd aangedragen voor de snelle ondergang van het koloniale leger. Nortier, Groen en Kuijt telden er iets meer dan twee, maar hoeveel waren het er nou echt? Westerse historici zijn in Japanse oorlogsarchieven ongeveer even welkom als het bestuur van Greenpeace op Japanse walvisjagers. Zelf hebben de Japanners na de oorlog wel wat opgeschreven, maar veel is het niet.

Wat het KNIL in 1942 werkelijk deed en naliet is ook zeker niet voor honderd procent duidelijk. Belangrijke getuigen, officieren vooral, die de gevechten en de Birmaspoorweg overleefden, schreven een jaar of vier later hun verslagen, waarin eigen blunders misschien niet altijd de aandacht hebben gekregen die ze verdienden. Met inachtneming van deze beperkingen van het bronnenmateriaal is De Japanse aanval op Java een uitmuntend werk.

Een van de belangrijkste Nederlandse troeven in het geallieerde pokerspel was de strategische ligging van Java. Ten onrechte, zo bleek na de oorlog, dachten de geallieerden dat Japan van plan was ook Australië te veroveren. Het behoud van Java zou een Japanse aanval op Australië ernstig kunnen bemoeilijken en een geallieerde tegenaanval belangrijk kunnen vereenvoudigen. Ondertussen was het behoud van Java voor Nederland natuurlijk in de eerste plaats een doel op zichzelf.

Slag in de Javazee

Op 15 januari 1942, een paar dagen na de eerste Japanse landingen in Nederlands-Indië (op Oost-Borneo en Noord-Celebes) volgde de oprichting van American-British-Dutch-Australian Command, kortweg ABDA, waarbij aangetekend moet worden dat AB daartoe had besloten zonder DA te consulteren. Commandant was de Britse generaal Sir Archibald Wavell.

Medio februari vestigde hij zich in Lembang, vlakbij het KNIL-hoofdkwartier in Bandoeng op West-Java, precies toen de Japanners zich in het onneembaar geachte Singapore vestigden. Wavell besloot vervolgens dat hij wel wat beters had te doen dan Java verdedigen: op 27 februari vloog een Flying Fortress van Nederlands- naar Brits-Indië, waar Sir Archibald ook weer opperbevelhebber werd. ABDA was op zijn voorstel ontbonden, waarna 11.500 Britse, 3.000 Australische en 500 Amerikaanse troepen op Java achterbleven. Voor alle duidelijkheid: de Buitengewesten (Indië minus Java en Bali) waren op dat moment al bijna helemaal bezet.

Ook op 27 februari was het geallieerde vlooteskader dat Java tegen vijandelijke landingen had kunnen beschermen, in de Javazee ten onder gegaan, en in de nacht van 28 februari op 1 maart landden ongeveer 35.000 Japanners op vier plaatsen op de kust van Noord- en West-Java. De 55-jarige generaal Imamura, commandant van het 16e Japanse leger, dat met de verovering van Nederlands-Indië was belast, moest op eigen kracht en in zwemvest zijn weg naar het droge vinden: twee geallieerde kruisers en een onderzeeër van de Koninklijke Marine waren na de Slag in de Javazee weggekomen; zij hadden de landende Japanners in de Baai van Bantam op heterdaad betrapt en ernstige verliezen toegebracht.

Volgens een militaire vuistregel moet een aanvallende eenheid ongeveer drie keer zo talrijk zijn als de verdedigers, om te kunnen winnen althans. Aldus bezien had het KNIL volop kans: numeriek waren beide partijen ongeveer even sterk, al is een precieze afweging om verschillende redenen niet goed mogelijk. Het KNIL telde bijvoorbeeld ook matig inzetbare semi-bejaarden als de inheemse Reservecorpsen en de Europese Landstorm, en Europese en inheemse dienstplichtigen die helemaal tot weinig in staat waren. (Na 35 jaar aarzelen durfde het gouvernement het in 1941 eindelijk aan om dienstplicht in te stellen voor kleine, loyaal geachte delen van de Indische bevolking en pas in november 1941 waren hun eerste oefeningen begonnen.)

De Japanners daarentegen, dienstplichtigen incluis, hadden in China en omgeving ruime gevechtservaring opgedaan en bezaten ook een groot luchtoverwicht. Daar kwam nog eens bij dat grote delen van de hele noord- en westkust van Java geschikt waren voor amfibische landingen, terwijl vijandelijke maritieme dislocaties in 1942 niet zomaar op een radarbeeld of satellietfoto waren af te lezen. Het KNIL had de Japanners stevig moeten aanpakken maar miste daartoe de mobiliteit. Deels was dat een kwestie van beleid: tal van stellingen op strategische punten vormden evenzoveel hoekstenen van het verdedigingsplan. Maar ook ontbrak het benodigde materieel. De verbindingsmiddelen bijvoorbeeld waren uiterst gebrekkig. Radio gold vooral als een nieuwerwetse aanvulling op de vertrouwde telefoon. Daarbij werd ook ruimschoots gebruik gemaakt van het civiele telefoonnet, inclusief het civiele centralepersoneel dat er in veel gevallen vandoor ging zodra de eerste mortierinslagen te horen waren, of eerder.

Gewetenloosheid

Mede als gevolg van de statische KNIL-defensie konden de mobiele Japanners in veel gevallen bepalen wanneer waar gevochten werd en in welke sterkteverhouding. Zo kon het gebeuren dat ze op de allereerste dag al de belangrijke vliegbasis Kalidjati in handen hadden. Een deel van hun effectiviteit ontleenden de Japanners overigens aan de vrees die ze aanjoegen: na een geslaagde aanval werden vaak snel even een paar krijgsgevangenen onthoofd om de rest koest te houden, ook op Kalidjati. Bij de verovering van de Buitengewesten was dat ook vrij veelvuldig gebeurd en daarvan was het KNIL op Java in alle gelederen goed op de hoogte. De Japanse efficiëntie was voor een belangrijk deel te danken aan gewetenloosheid.

Kalidjati lag veertig kilometer van Bandung, het KNIL-hoofdkwartier, dus herovering was bijna alles waard. Op 2 maart werden zoveel mogelijk troepen verzameld om uit het westen naar het grote vliegveld op te rukken. Een probleem was dat het gemotoriseerd transport vastliep tegen de wegversperringen rond de eigen stellingen. Na een voettocht van een kilometer of twintig naderde het Tweede Regiment Infanterie (een man of 3.500) het doel in de ochtend van 3 maart. Echter: vooral tot eigen verrassing stond een verkenningspatrouille ineens op het vliegveld, oog in oog met de vijand. De gebruikte kaart stamde uit 1915: het vliegveld stond er niet op. Kort daarna volgden zware, afdoende Japanse bombardementen op de naderende hoofdmacht.

Weer zes dagen later was het met het hele KNIL gedaan: op Kalidjati gaf Ter Poorten zich over. De gouverneur-generaal had aanvankelijk nog betoogd dat volledige overgave alleen mogelijk was na raadpleging van koningin Wilhelmina, maar Imamura was onvermurwbaar.

    • Michiel Hegener