De misdaad is alleen met toezicht en controle terug te dringen

De misdaad waar de samenleving de meeste last van heeft is de misdaad van jeugd en jongeren. Wie daar iets aan wil doen, moet meer toezicht uitoefenen: op sportvelden, in winkelcentra en in het openbaar vervoer.

Criminologe Josine Junger-Tas over de oorzaken en de preventie van misdadig gedrag.

Dit artikel is een van de bijdragen aan een themanummer van het 'Tijdschrift voor Criminologie', dat volgende week zal verschijnen. In dat nummer buigen 18 Nederlandse criminologen zich over de oorzaken en de bestrijding van de misdaad.

Laten we het eens hebben over de gewone huis-, tuin- en keukencriminaliteit, de criminaliteit waar wij allemaal het meeste last van hebben en die zo veel onrust veroorzaakt. De zogenoemde veel voorkomende criminaliteit, zoals auto-, fiets- en anders soorten diefstal en oplichting, straatroof en geweld. Wat zijn de oorzaken en wat kan er aan gedaan worden? Zoals bekend wordt de meeste criminaliteit gepleegd door jongeren en jonge volwassenen. Daarbij is het voor een goed begrip van belang twee hoofdgroepen daders te onderscheiden. De eerste groep bestaat voornamelijk uit jongeren die een groot aantal niet zo ernstige, maar wel veel overlast veroorzakende delicten plegen: vernielingen, winkeldiefstal, klein geweld en soms ook inbraak. Dit type gedrag is kenmerkend voor jeugdigen tussen 14 en 18 jaar, en wordt daarna meestal snel weer verlaten als de volwassenheid met haar verantwoordelijkheden eraan komt.

De tweede groep daders is een fractie van de eerste, maar daarbij gaat het om jongeren die al op vroege leeftijd delicten pleegden en van wie het delictpatroon een steeds ernstiger karakter krijgt. ZIj houden niet op met het plegen van delicten als ze volwassen worden en ze blijven langdurig op het criminele pad.

Het onderscheid is van belang omdat bij beide groepen zowel de oorzaken van het delinquente gedrag als de aanpak ervan verschilt.

De groei van de criminaliteit na de Tweede Wereldoorlog moet voor een belangrijk deel worden toegeschreven aan de groei van de jeugdcriminaliteit. Zowel de criminaliteit van volwassenen als die van jongeren is gestegen, maar de laatste vertoont een veel sterkere stijging dan de eerste. In het algemeen is men het redelijk eens over de oorzaken van dit verschijnsel. Daar is in de allereerste plaats de economische boom die zorgde voor een tot dan toe niet geëvenaarde toename van begeerlijke goederen: fietsen, auto's, audio-visuele en andere elektronische apparatuur. En niet alleen zijn deze zaken begeerlijk, ze zijn ook zeer gemakkelijk te ontvreemden of te vernielen. Want meer en meer werd de koopwaar gewoon op straat gezet of in de supermarkt en in het warenhuis uitgestald, waar het voor het grijpen lag zonder enig menselijk toezicht. Dit laatste werd namelijk op grote schaal vervangen door allerhande automaten en video-apparatuur. Met andere woorden: de gelegenheid tot het plegen van delicten is enorm toegenomen terwijl tegelijkertijd het informele toezicht op jongeren is afgenomen. Hieraan moet toegevoegd worden de naoorlogse baby-boom, die zorgde voor een relatief groot aandeel van jongeren in de bevolking. Bovendien voltrokken zich belangrijke culturele veranderingen, waardoor de Nederlandse samenleving van een autocratische-, naar een 'onderhandelings'-samenleving evolueerde. Voorheen zwakke groepen, zoals vrouwen, gehandicapten, psychiatrische patiënten, gedetineerden en ook jongeren kregen aanzienlijk meer rechten en daar maakten ze gebruik van.

Deze zogenaamde 'emancipatie' van de jeugd ging gepaard met een steeds grotere mobiliteit van jongeren. Hierdoor konden ze zich zowel in het gezin als op school en op de sport- en jeugdclub steeds gemakkelijker aan het toezicht en de opvoedende controle van volwassenen onttrekken. Vergeleken met de generaties van vóór 1960 gaan jongeren tegenwoordig veel vaker uit, veelal in een naburige gemeente, niet met volwassenen maar in groepsverband en ze komen veel later thuis. Ook brengen ze dagelijks een groeiend aantal uren met groepsgenoten door, zonder enig toezicht van volwassenen. Het is duidelijk dat dergelijke ontwikkelingen ertoe leiden dat voor jongeren, die per definitie nog niet veel te verliezen hebben en enigszins buiten de samenleving staan, riskant, afwijkend en delinquent gedrag een grote aantrekkingskracht heeft, temeer daar de kans op ontdekking gering is. Delinquent gedrag van deze categorie jongeren moet dan ook voornamelijk gezien worden als een tijdelijke, spannende, risico-volle en statusverlenende vrijetijdsbesteding.

Heel anders is het gesteld met de groep persistente delinquenten. Dit zijn echte probleemjongeren met verstoorde gezinsrelaties, een afgebroken schoolopleiding, veelal werkloos en gekenmerkt door aanzienlijk drank- en/of druggebruik. De gezinnen zitten vaak in een uitzichtloze sociaal-economische positie. Beschouwt men de oorzaken van dit type criminaliteit dan moet gewezen worden op de recessie en de groeiende ongelijkheid in onze samenleving waardoor bepaalde groepen - onder wie allochtonen, langdurig werklozen, één-ouder gezinnen - geen gelijke kansen hebben op deelname aan de welvaart, ja sterker nog, aan de samenleving. Een moeilijke materiële positie, vaak langdurige werkloosheid, verregaande marginalisering en het dikwijls daarbij behorende drinkgedrag, vormen niet een directe maar wel een indirecte oorzaak van criminaliteit. Het tast namelijk het vermogen van ouders om hun kinderen een adequate opvoeding te geven aan en heeft een vernietigende invloed op de interne gezinsprocessen en gezinsrelaties.

Wij moeten niet de illusie koesteren dat we het criminaliteitsprobleem kunnen oplossen. We kunnen het hooguit enigszins beheersbaar maken. Bovendien kunnen we het probleem slechts beheersbaar maken door preventief optreden en niet door middel van het strafrecht. Dit laatste speelt weliswaar een noodzakelijke rol, maar het heeft om een aantal redenen geen echte invloed op het criminaliteitsniveau.

Bezien we nu eerst de aanpak van de veel voorkomende criminaliteit dan ligt het soort preventie tamelijk voor de hand. Een goed preventiebeleid dient gebaseerd te zijn op het drastisch terugdringen van de gelegenheid tot het plegen van delicten. Dit kan gerealiseerd worden door technische voorzieningen en beveiliging, maar bovenal door meer toezicht en controle zowel op het publieke- als op het privé-terrein. Veelvuldig onderzoek in binnen- en buitenland heeft de effectiviteit van een groter toezicht in openbare ruimtes - van het openbaar vervoer tot wooncomplexen, van sportvelden tot winkelcentra - overvloedig aangetoond. Meer monitoring en controle in scholen, sport- en jeugdclubs en ook in het gezin hangen sterk samen met vermindering van crimineel gedrag. Deze inzichten gaan in tegen het individualiseringsstreven in onze westerse samenleving want ze leiden inderdaad tot meer sociale controle, ja meer bemoeizucht van de gemeenschap. Men zal echter moeten streven naar een evenwicht tussen de sterke behoefte aan individuele vrijheid en de veiligheid en bestendigheid van ons type samenleving. Ook het strafrecht kan aan die bestendigheid een steentje bijdragen door de pakkans te vergroten en vervolgens sneller te reageren aan de hand van een goed gearticuleerd, samenhangend en omvattend sanctiesysteem. Aanzetten hiertoe vormen onder meer zaken als de Wet Mulder, het snelrecht en de ontwikkeling van alternatieve straffen en combinatiestraffen.

Waar het om ernstiger criminaliteit gaat is een andere aanpak op zijn plaats. In de eerste plaats dient de overheid structurele steun te bieden aan gezinnen in achterstandssituaties. Die gezinnen moeten in staat gesteld worden om hun opvoedingstaak naar behoren te vervullen. Zo behoort er voldoende kinderopvang voor alleenstaande en werkende moeders te komen, zowel vóórschoolse als naschoolse opvang. Scholen zouden ná schooltijd mogelijkheden moeten bieden voor sport, muziek, theater en het maken van huiswerk. Daarnaast zou gestreefd moeten worden naar flexibeler werktijden en ouderverlof bij gezinscalamiteiten. Veel aandacht dient gegeven te worden aan opvoedingsondersteuning en schoolvoorbereidingsprogramma. Hiermee is een voorzichtig begin gemaakt door het ministerie van WVC (de 'Opstap projecten'). Zeer goede resultaten zijn in het buitenland bereikt met verdergaande projecten (Head Start en het Perry pre-school program). Kinderen die hieraan deelnamen, bleken, eenmaal volwassen, niet alleen veel minder crimineel dan een controlegroep, maar ze hadden een veel beter opleidingsniveau, beter werk en een hoger inkomen bereikt.

Het is van zeer groot belang om de ongelijkheden in onze samenleving niet te vergroten. De VS bieden ons een gruwelijk voorbeeld van de gevolgen van het ontstaan van een omvangrijke onderklasse die van participatie aan de samenleving is uitgesloten. Scholing en werk voor laaggeschoolden moeten prioriteit nummer één zijn.

In feite moeten dezelfde principes ook bij de strafrechtelijke reactie een rol spelen. De grootste effectiviteit van het strafrecht wordt bereikt door een combinatie van vergelding en resocialisatie. Straffen die uitsluitend gebaseerd zijn op vergelding en afschrikking hebben nauwelijks effect op de recidive en dit geldt eveneens voor resocialisatie alleen. Nieuwe onderzoeksresultaten op het terrein van gerichte (verslavings)behandeling, hulpverlening en scholing, laten zien dat de effectiviteit daarvan sterk vergroot wordt door de zogenaamde 'stok achter de deur' van een vrijheidsbenemende sanctie. Dit betekent dat ook met deze persistente groep criminelen iets te bereiken valt. Als een paal boven water blijft echter staan dat een samenleving oneindig veel beter in preventie kan investeren dan in welke strafrechtelijke maatregelen dan ook.