De HCS-affaire

DE VERDACHTEN zijn vrijgesproken. De spraakmakende rechtszaak over misbruik van voorkennis in de zogenoemde HCS-affaire, de eerste zaak op grond van de wet Misbruik voorwetenschap, is geëindigd in een smadelijke afgang van het openbaar ministerie. De drie zakenlieden en een effectenkantoor hebben zich naar het oordeel van de Amsterdamse rechtbank niet schuldig gemaakt aan handel met voorkennis toen ze in die zomer van 1991 met de huisbankier van HCS afspraken maakten over de uitgifte van nieuwe aandelen als laatste poging tot redding van het in moeilijkheden verkerende automatiseringsbedrijf. Het openbaar ministerie meende met die omstreden zaak een geval in handen te hebben waarmee het de reputatie van de Amsterdamse effectenbeurs als financiële markt zou kunnen opvijzelen.

Zo is het niet gelopen. De officier van justitie werd in de rechtszaal weggespeeld door de advocaten van de beklaagden - en door de verdachten zelf. De heren J.A.J van den Nieuwenhuyzen, E.Th.A. Albada Jelgersma en L.N. Melchior behoren tot de zakelijke jetset van Nederland. Zelfverzekerd speelden ze hun rol van ondernemers, hinderlijk lastiggevallen door een officier die naar hun mening geen verstand van beleggen zou hebben.

Van den Nieuwenhuyzen heeft herhaaldelijk gezegd dat hij de koers van het aandeel HCS heeft georkestreerd. Hij heeft eveneens toegegeven dat hij als bekend zakenman ter bescherming van zijn identiteit gehandeld heeft met een effectenrekening onder een andere naam. Dat zijn geen strafbare feiten, althans niet volgens de wet voorwetenschap. In de HCS-affaire stond de reikwijdte van deze wet ter discussie. De rechter heeft duidelijk gemaakt dat pas van voorwetenschap sprake is als op bepaalde koersgevoelige informatie geheimhoudingsplicht rust en als deze informatie een duidelijke richting in het koersverloop aangeeft. Aan die twee voorwaarden was in de HCS-zaak niet voldaan. De poging van het openbaar ministerie om door een rechterlijke uitspraak te komen tot een ruime interpretatie van de wet is door de rechter niet gevolgd. En daarmee is de juridische mogelijkheid om voorwetenschap aan te pakken sterk ingesnoerd.

DE HCS-AFFAIRE is ten onrechte wel vergeleken met de processen tegen misbruik van voorwetenschap in Londen en de aanpak van de ring van voorwetenschap op Wall Street eind jaren tachtig. Prominente namen uit de New-Yorkse advocatuur en effectenwereld werden tijdens de hoogtijdagen van spectaculaire overnamezaken vervolgd, veroordeeld of gedwongen tot enorme schikkingen. Daar was sprake van bekentenissen en juridische bewijzen voor het bestaan van een netwerk van betrokkenen die elkaar voortijdige informatie toespeelden.

In Nederland wordt het niet zo hard gespeeld. In een sfeer van jongens-onder-elkaar is hier koersmanipulatie geoorloofd en dekken de betrokkenen elkaar af. De Nederlandse wet ontbeert de scherpte van de Amerikaanse wetgeving, de Amsterdamse beursofficier mist de hardhandigheid van de New-Yorkse aanklager. De beurs van Wall Street is veel groter dan die van het Damrak. Maar uit het feit dat nog niemand op grond van de wet Misbruik voorwetenschap veroordeeld is, mag niet worden afgeleid dat dit op de Amsterdamse effectenbeurs nooit voorkomt.