Conservatoria staan met lege handen tegenover studenten

Al meer dan vijftien jaar wordt gesproken over herstructurering en kwaliteitsverhoging van het muziekvakonderwijs en al meer dan vijf jaar verschijnen daarover goede rapporten van deskundige commissies.

Vorige maand zou de ontknoping brengen: de staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen zou zeggen welke conservatoria - die hun opleiding tot vier jaar moeten terugdringen - een zogenoemde tweede-fase-voorziening krijgen. Hij kondigde echter aan pas in 1997 te besluiten. Dus weten de conservatoria niet wat voor curriculum ze vanaf september dit jaar voor de eerste fase moeten verzorgen en de studenten weten niet aan wat voor opleiding ze dan beginnen. Wederom wordt een inhoudelijke keuze vermeden en een politiek-bestuurlijke weg gevolgd.

Een van de problemen is het grote aantal conservatoria in Nederland (12). Deze versnippering is ongunstig voor de concentratie van talent en voor de breedte en de diepte bij conservatoria, die de kwaliteit van het muziekonderwijs moeten verhogen. Bovendien verschillen de conservatoria nogal in kwaliteit, omvang en oriëntatie. Dat is niet in alle opzichten een probleem. Verschil in oriëntatie kan goed zijn voor het leggen van verschillende accenten, bijvoorbeeld op uitvoerende musici of juist op docerende. Het wordt vooral een probleem als de conservatoria teveel op elkaar willen lijken. Die situatie dreigt te ontstaan nu bijna alle conservatoria in aanmerking willen komen voor een tweede fase.

Achtergrond van deze discussie vormen de deels terechte bezwaren tegen de toekenning van tweede-fase-opleidingen, die vooral klonken bij conservatoria buiten de Randstad. Men vreesde dat als een handvol conservatoria een tweede fase zou krijgen, de overige in een tweederangspositie zouden komen, met uiteindelijk onvoldoende mogelijkheden voor het verzorgen van een volwaardige vierjarige opleiding. De toedeling van de tweede fase zou zo worden misbruikt om via een sterfhuisconstructie de mislukte sanering van het muziekvakonderwijs te bewerkstelligen.

Als je iets aan het aantal conservatoria wilt doen moet je iets aan het aantal doen; als je selectief hoogwaardige opleidingen wilt moet je selectief hoogwaardige opleidingen toekennen. Daarom adviseerde de Raad voor de Kunst vorige maand om voorlopig slechts twee conservatoria voor een tweede fase aan te wijzen: dat van Amsterdam en dat van Den Haag. Hij nam daarmee het voorstel over van een raadscommissie met enkele 'éminences grises', zoals ze in de pers werden genoemd, uit het Nederlandse muziekleven. In Amsterdam en Den Haag zijn voor een goede tweede fase de beste voorwaarden aanwezig qua docentenkorps, traditie, (internationale) positie en culturele infrastructuur. Met een kleiner aantal conservatoriumstudenten (nu bijna 6000) en een lager percentage studenten dat doorstroomt naar de tweede fase (dan de geplande vijftig procent) kan met twee vervolgopleidingen misschien worden volstaan. Bovendien blijft dan een groot deel van de beschikbare 13 miljoen gulden over om in te zetten voor verbetering van de eerste fase en van de vooropleiding via muziekscholen en onderwijs. Dat is nodig om alle conservatoria volwaardige opleidingen te kunnen laten bieden. Het ontstaan van tweederangs conservatoria wordt verder vermeden doordat de tweede fases landelijke voorzieningen zouden moeten zijn, met onafhankelijke toelating, zodat er een open concurrentie is voor studenten van alle conservatoria.

Toch deinsde de staatssecretaris er op het laatst voor terug het advies op te volgen. De electorale posities van de regeringspartijen maakten het hem wellicht ook moeilijk. In het debat tussen de staatssecretaris en de Tweede Kamer voorafgaand aan de adviesaanvraag aan de Raad voor de Kunst, was al duidelijk geworden dat sterk gehecht zou worden aan regionale spreiding bij de toedeling van de tweede fase en dat daarbij gedacht werd aan 'twee randstad - twee regio'.

De Raad voor de Kunst liet weten spreidingsoverwegingen slechts te hanteren voorzover deze inhoudelijk zijn, overwegingen als het belang van een goede culturele infrastructuur in het hele land, het geven van ruimte waar nieuwe ontwikkelingen zich voordoen en het tegengaan van te grote opeenhoping en monopolievorming. Een overweging als 'eerlijke' verdeling over het land is bij een dergelijke selectieve toedeling niet relevant. Hogere zeevaartopleidingen zijn ook niet eerlijk over het land verdeeld, maar gevestigd in de buurt van de kust; tweede-fase-muziekonderwijs moet gevestigd zijn in de buurt van de kunst.

De staatssecretaris accepteerde deze benadering, maar vond dat ook gekeken moet worden waar in potentie kwaliteit aanwezig is. In potentie is op veel plaatsen kwaliteit. Het kan goed zijn te investeren in ontwikkeling en niet alleen in bewezen kwaliteit, maar dat mag niet ten koste gaan van de middelen voor aangetoonde kwaliteit, en in tijden van laagconjunctuur en afnemende overheidsmiddelen is dat snel het geval.

De staatssecretaris pakt nu desalniettemin de gedachte van 'twee randstad - twee regio' weer op en wil tweede fases gaan toekennen aan 'samenwerkingsverbanden'. Dit sluit aan op de recentelijk gestarte samenwerking in het zuiden en in het oosten des lands, gericht op het verkrijgen van een tweede fase. De inhoudelijke meerwaarde van dergelijke samenwerkingsverbanden voor het kunnen verzorgen van een tweede fase, is echter onduidelijk. Een besluit zal het ministerie pas in 1997 nemen, op basis van een inhoudelijke kwaliteitstoets. Als we niet oppassen gaat het dan echter om spreiding en om de kwaliteit van de samenwerking, in plaats van om de kwaliteit van de conservatoria.

Willen we in Nederland een herstructurering van het muziekvakonderwijs en een toekenning van hoogwaardige vervolgopleidingen baseren op inhoudelijke kwaliteitsgronden? Zo nee, laten we ons dan de moeite besparen van het inschakelen van allerlei deskundige commissies. Als de politiek niet de moed of behoefte heeft knopen door te hakken op inhoudelijke gronden, moet zij de moed hebben dat te zeggen. Dan kunnen de conservatoria zich concentreren op het opleiden van studenten en kan Ton de Leeuw in Parijs blijven en in plaats van commissiewerk te doen een mooi koorwerk schrijven.

Zo ja, laten we dan afspreken dat inhoudelijke oordelen zwaar zullen wegen en dat er daadwerkelijk consequenties aan verbonden zullen worden.