CALMEYERS LIJST; Schindler in Holland

Buiten de industrieel Oskar Schindler hebben nog honderden Duitsers in de oorlog joden geholpen. Eén van hen was de jurist Hans Georg Calmeyer uit Osnabrück die met dat doel zelfs bij de Duitse bezettingsautoriteiten ging werken. Hij belandde in Nederland en wist onder meer voor elkaar te krijgen dat wie zich als jood had gemeld, de gelegenheid kreeg alsnog het tegendeel te bewijzen. Bij de geringste twijfel keurde Calmeyer deze aanvragen dan goed. Zo ontstond 'Calmeyers lijst'. Het Jad Vaschem-archief in Jeruzalem schat dat Calmeyer tussen de 3000 en de 5000 joden zo van de dood heeft gered. Calmeyer overleed in 1972. Tegen het Algemeen Dagblad zei hij in 1963: 'Ik kan nauwelijks een verzetsman worden genoemd, want ik heb te weinig gedaan.'

Op een dag, midden in de oorlog werd in het bezette Den Haag een jonge advocaat aan SS-generaal Hanns Albin Rauter voorgesteld met de woorden: “Dit is Herr Calmeyer. Ooit wordt hij net zo beroemd als Bismarck. Wat bij hem de Bismarck-haringen zijn, zijn bij Calmeyer de Calmeyer-joden.”

Er is waarschijnlijk geen tweede Duitser die tijdens de Holocaust zoveel joden heeft gered als Hans Georg Calmeyer. Beroemd werd hij daardoor niet. Zijn geschiedenis is in Duitsland tot op heden onbekend.

Calmeyer, de vindingrijke saboteur van de 'Endlösung', zou een plaats verdienen tussen de grote verzetsstrijders - wier daden, ideeën en levenslopen een complete bibliotheek vullen. Aan Hans Georg Calmeyer zijn hooguit een paar kranteartikelen gewijd, die in het archief van de lokale krant in Osnabrück liggen te vergelen.

Zijn geschiedenis is vastgelegd in 'Kladde' 4997, het archief van de gedenkplaats Jad Vaschem. In het verre Jeruzalem en niet in de Bondsrepubliek verscheen ook de studie, waarin het bewijs wordt geleverd dat Calmeyer ten minste 2899 en waarschijnlijk 5000 joden voor de dood heeft behoed. Israel en niet de Bondsrepubliek heeft Calmeyer in 1992 postuum onderscheiden.

Met vertwijfeling zag Hans Georg Calmeyer hoe na de oorlog in de Bondsrepubliek het verleden collectief werd vergeten. In Osnabrück wist maar een enkeling wat Calmeyer tijdens de oorlog gedaan had. Hij zelf vertelde er zelden iets over. “Geen mens die luistert!” schreef hij verbitterd. In een Nederlandse krant (het Algemeen Dagblad; red) vertelde Calmeyer in 1963 dat het plegen van sabotage voor een advocaat in de Bondsrepubliek zeker niet als een aanbeveling geldt. De cliënten bleven weg.

In het bezette Nederland gaf Calmeyer leiding aan een instantie die over leven en dood kon beschikken. Binnen de bezettingsmacht moest zijn afdeling beslissen in 'twijfelgevallen rond het rassenvraagstuk'. Calmeyer gebruikte deze positie om, zoals hij zelf zegt, “een reddingsvlot te bouwen”.

Als medewerkers voor zijn afdeling wierf hij louter geestverwanten. Zijn bureau was niets anders dan een ambtelijke werkplaats voor vervalsers. Met bizarre bureaucratische trucs en zwendel ontdeed hij de joden van hun ster. Calmeyer accepteerde ieder document, hoe onbetrouwbaar ook, als het maar leek te bewijzen dat een jood geen jood was. Elk pseudowetenschappelijk advies van de een of andere antroploog was Calmeyer goed genoeg. En wie hij met de beste wil van de wereld niet als 'Ariër' kon aanmerken, werd vooraf gewaarschuwd, zodat hij nog een kans had om te vluchten. Vrouwen adviseerde hij om overspel met een niet-jood te bekennen; zodat hij ten minste in staat was de kinderen met een officiële akte te redden. Zo ontstond het gevleugelde begrip 'gecalmeyerde joden' en in de joodse gemeenschap verspreide zich bliksemsnel het gerucht van de bescherming die de 'Calmeyer-lijst' bood.

Reddingsvlot

Calmeyers houding schijnt zelfs bij de bezettingsleiding bekend te zijn geweest. In ieder geval citeerde hij later in brieven uit dokumenten waarin collega's van andere afdelingen hem terechtwezen: “Hansje, dat noem jij moord! Maar het is toch niets anders dan insektenverdelging. Er moeten nu eenmaal vliegenmeppers zijn.”

Het gerucht van de jodenhelper bracht zowel de SS als de Sicherheitsdienst in paraatheid. Een enkele keer kreeg Calmeyer opgedragen geen lijsten meer op te stellen, maar dat bevel negeerde hij eenvoudigweg. Een andere keer moesten eventuele 'vergissingen' genealogisch onderzocht worden of zou een SS-commissie alle dossiers controleren. Maar er gebeurde niets. Al liep hij zelf groot gevaar, Calmeyer gaf niet op. Hij ging niet gebukt onder de vervolging, maar aan het gevoel dat hij zelf tekortschoot. Boven zijn bureau, waar eigenlijk een afbeelding van Hitler moest hangen, hing zijn motto: “Te weinig, te weinig”.

Het gevoel niet genoeg te hebben gedaan, toch deel te zijn geweest van de vernietigingsmachinerie, maakte hem na de oorlog depressief. Want om zijn reddingsvlot drijvend te houden, had hij niet alle joden in veiligheid kunnen brengen. Calmeyer vroeg zich nu af of hij niet de feitelijke moordenaar was geweest van diegenen bij wie hij zijn duim naar beneden had gehouden om anderen te kunnen redden. Liever nog zou hij zijn “overgeplaatst naar de troepen aan het front” dan “bij de Reichskommissar (dr. A. Seyss-Inquart, vert.) mijn geweten te misvormen.” Deze man, die zich juist onderscheidde door zijn zuiver gevoel voor rechtvaardigheid, schreef meer dan twintig jaar na de oorlog: “Ik ben met mijzelf, maar vooral met onze collectieve schuld en ons aller falen tot op de dag van vandaag niet in het reine gekomen.”

Toen Calmeyer de geallieerden in 1946 uitleg gaf over zijn rol veranderde het verhoor bij tijd en wijle in een juridisch colloquium over de casuïstiek van het recht in tijden van noodtoestand. Tegenover het rechtspositivisme van zijn collega's die tot werktuigen van de dictatuur verworden waren, schetste hij zijn voorstelling van het natuurrecht.

Met dit abstracte idee in het achterhoofd trad Calmeyer, die zich zelf bestempelde als “anti-Nazi van het eerste uur”, in 1941 in dienst van de bezettingsmacht. Hij was geen partijlid en accepteerde deze hachelijke opdracht alleen omdat hij hoopte sabotage te kunnen plegen en zo mensen te helpen.

Onbuigzaamheid

Calmeyer hoefde niet om hulp voor de joden te worden gevraagd. Daarin onderscheidde hij zich van van de meeste anderen. Hij kende zijn beschermelingen niet en wilde ze meestal ook niet leren kennen. Hij wilde niet dat mensen hem opzochten om hem te bedanken, en dat was niet alleen omdat dergelijk dankbetoon op zijn afdeling het hele project in gevaar had gebracht. Hij hechtte er veel meer aan zijn idee van recht tot uitvoering te brengen, zonder aanzien des persoons. In 1965 schreef hij te geloven dat men “nooit iets voor iemand zou mogen doen als men er zelf enig belang bij zou kunnen hebben, zelfs niet uit louter sympathie. Ik vreesde het troeblerende effect, dat een dergelijk motief zou hebben op het helpen en redden, in ieder geval op het slagen daarvan.”

Vanuit zijn morele onbuigzaamheid was het voor Calmeyer onverdraaglijk te moeten toezien hoe de mensen, die van achter hun bureau anderen de misdrijven lieten uitvoeren, in de jonge Bondsrepubliek hun plaatsen innamen. In lange brieven viel hij de 'beesten' aan die in Nederland een uniform hadden gedragen “als een vermomming waarin je je straffeloos van ieder geweten kon vrijwaren.” In de Bondsrepubliek genoten zij nu “het pensioen van een hoge regeringsleider en een gezant” of waren als succesvol zakenman neergestreken in een villa in Tessin. En dat terwijl hij, Calmeyer, de daden van deze mensen “tot de instorting toe had vastgelegd”.

Voor Hans Georg Calmeyer resteerde alleen de vertwijfeling. Vertwijfeld “te zijn en te blijven” - voor hem was het nog in 1965 de “enig waardige en waardevolle houding”. Zeven jaar later stierf hij. In een korte studie over Calmeyer uit 1992, verschenen naar aanleiding van zijn onderscheiding door Jad Vaschem, wordt het noodlot van Calmeyer aangevoerd als bewijs “hoe moeilijk het lot is van de enkele rechtvaardige mens in heel Sodom.”

Copyright Die Zeit

    • Thomas Kleine-Brockhoff