'Breekt los!'

Jef Last: Liedjes op de maat van de rottan. Indische revolutionaire gedichten

116 blz., KITLV 1994, ƒ 12,50

De omvang van de bundel Liedjes op de maat van de rottan, de collectie Indische revolutionaire gedichten van Jef Last, spreekt boekdelen. Van de 116 pagina's zijn er 61 voor inleiding en toelichtingen, en 46 voor de teksten zelf. Het hoge woord komt er dan ook in de inleiding van Harry A. Poeze al uit: “De poëzie van Last heeft de literaire tijdstoets niet doorstaan, zijn proza evenmin.” Dat is een hardvochtig oordeel, en het werpt meteen een schaduw over het werk dat op de volgende pagina's staat. Waarom er immers nog zoveel zichtbare zorg aan besteed als het blijkbaar zo weinig meer voorstelt?

Jef Last (1898-1972) was tussen de twee wereldoorlogen als publicist actief op de linkervleugel van de SDAP, maar belandde in trotskistisch en communistisch vaarwater toen de sociaal-democratie geen partij koos voor de rebellie in het toenmalig Nederlands-Indië. De harde manier waarop het Nederlands bewind in 1927 een eind maakte aan de eerste opstand van de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging, verhardde zijn standpunt. Last, die al vanaf zijn jongensjaren de proletarische solidariteit had geïdealiseerd, verklaarde zich nu solidair met de Indonesische communisten. In diverse linkse bladen schreef hij felle verzen, die in 1930 ook verschenen in twee goedkoop uitgevoerde bundeltjes in eigen beheer. Dat ze een gevoelige snaar raakten, blijkt uit het feit dat Last naar eigen zeggen - voor 10 cent per stuk - binnen een half jaar 10.000 exemplaren verkocht.

Pure agitprop was het, wat hij schreef. Toegankelijk, bevattelijk, strak in het ritme en vaak eindigend met een rechtstreeks appèl aan de lezer: “Staat op! Breekt uit! Breekt los! Verscheurt de slavenbanden / en rust niet, eer uw hand, hun bruine handen vat.” Of: “Wij zijn een volk van nette burgermenschen / de ouderling groet braafjes met zijn pet. / Wie schrikt ons wakker uit dit nare drensen? / Waar zijn de harten die de vrijheid wenschen? / Waar is de vonk van 't heilige verzet?”

Harry Poeze, hoofd van de uitgeverij van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, spreekt consequent van gedichten. Hij citeert vooral de vernietigende kritiek van letterkundigen als Greshoff (“banaal, vulgair, wezenloos”) en Du Perron (“wat is die Jef Last een lul-met-vingers!”) en gaat ietwat achteloos voorbij aan wat Henriette Roland Holst over Last als “de geboren chansonnier” en “de socialistische liedjeszanger” schreef.

Zo wordt 's mans nalatenschap nogal nadrukkelijk in de hoek gezet van de historische curiosa - reuze interessant uit geschiedkundig KITLV-oogpunt, maar artistiek van geen enkel belang. Terwijl de titel van de bundel nota bene is ontleend aan de ondertitel die Jef Last aan een van zijn eigen uitgaafjes gaf: liedjes op de maat van de rottan. Liedjes, geen gedichten. In de eerste plaats waren deze teksten, met hun retorische herhalingen en hun ondubbelzinnige taal, bedoeld om te worden voorgedragen. Of, liever nog, om te worden gezongen. Niet voor niets schreef hij er een paar op bestaande melodieën als het Wilhelmus en de Zevensprong.

Jaap van de Merwe, die in veel opzichten in de voetsporen van Last trad, concludeerde in zijn proletariërsliedbundel Gij zijt kanalje! heeft men ons verweten, dat het de “dodelijke pech” van tekstdichters als Willem van Iependaal, Freek van Leeuwen en Jef Last is geweest dat ze geen vaardige componisten bij de hand hebben gehad om hun agitatorische teksten op aanstekelijke wijze te toonzetten. Last zou zelfs hebben gesnakt naar een Kurt Weill of een Hans Eisler, zodat zijn liedjes de massa zouden bereiken. Maar helaas bleven ze overwegend steken in de obscure blaadjes en bundeltjes, waaruit ze nu naar boven zijn gehaald voor een mooie heruitgave met een onverdiend negatief oordeel.

    • Henk van Gelder