Batavia in Jakarta

Oude koloniale architectuur in Jakarta wordt hersteld, enkele historici hebben voortreffelijke boeken gepubliceerd over de Nederlandse periode en op het voormalige Stadhuisplein in Jakarta is café Batavia herrezen. Heel langzaam wordt in Indonesië weer iets zichtbaar van het koloniale verleden

Weggedrukt door architectonische krachtpatserij van jonger datum, aangetast door jarenlange verwaarlozing en krankzinnig stadsverkeer en gehuld in de stank van stilstaand water ligt aan de zeezijde van de metropool Jakarta Kota, de stad, de historische oorsprong van Batavia. Een kanaal, vroeger bekend als de Kali Besar, een ophaalbrug en oude Compagnieshuizen, waaronder de voormalige woning van Gustaaf Willem, Baron van Imhoff, die van 1743 tot 1750 gouverneur-generaal was. Het gebouw deed daarna dienst als de eerste zeevaartacademie van Azië en sinds begin van deze eeuw als kantoor van de Borneo Maatschappij.

Nog niet zolang geleden zou ik voor dit oude stadsdeel geen rupiah hebben gegeven. Met uitzondering van Ali Sadikin, gouverneur van Jakarta in de jaren zeventig en een man met culturele belangstelling, was er tientallen jaren geen bestuurder bereid zich sterk te maken voor behoud van dit versteende stuk koloniale geschiedenis. Dat heeft zijn redenen. In de jaren vijftig werd Jakarta 'geïndonesianiseerd'. In Menteng, ooit vanwege zijn rust en lommer de favoriete woonwijk van hooggeplaatste Hollanders, kregen de groene lanen, stuk voor stuk vernoemd naar generaals en gouverneurs-generaal, nieuwe, Indonesische bewoners en nieuwe namen: die van fameuze rebellenleiders in de strijd tegen Nederland zoals de Javaan Diponegoro - aan die straat woont tegenwoordig de Nederlandse ambassadeur - en de Atjeher Teuku Umar.

Prijs

Die indonesianisering had een prijs: voor Nederlandse koloniale gebouwen die niet meteen bewoonbaar waren, was geen geld en geen belangstelling. Daar komt geleidelijk verandering in. Het museumwezen is nog steeds krap bij kas en Indonesië geeft wat investeringen betreft nog steeds geen hoge prioriteit aan restauraties. Maar de politieke wil is er weer en de ondernemerswereld krijgt langzamerhand belangstelling. Zo is het huis van Baron van Imhoff onlangs keurig opgeknapt op kosten van de Indonesische handelsfirma die het als hoofdkantoor gebruikt. En aan Taman Fatahilah, het voormalige Stadhuisplein, is eind vorig jaar Café Batavia in zijn volle glorie herrezen, op initiatief en ten laste van een Australische zakenman. Jonge Jakartanen die het kunnen betalen, vinden een glas in Café Batavia keren (blitz, 'in') en genieten ervan zonder gemengde gevoelens.

Van de eetzaal op de eerste verdieping heeft de café-bezoeker uitzicht op het onlangs gerestaureerde voormalige stadhuis, nu een museum. Over de keien en tussen de platanen van dit plein plachten Hollandse dames en heren op vrije uren te flaneren. En op ditzelfde plein eindigde op 13 januari 1889 onder de goedkeurende blik van dezelfde dames en heren de Javaan Wangsa wegens moord op de heer Wigman zijn leven aan de galg. Een gebeurtenis die de volgende dag onvergetelijk werd vastgelegd in het Bataviaasch Nieuwsblad door de Indische journalist P.A. Daum.

De man die alles weet over Daum en zijn oeuvre, de Neerlandicus Gerard Termorshuizen, trad vorige maand zowaar op voor een Indonesisch gehoor met een rede over 'de zoektocht naar de edele wilde: reisverhalen in oude Indische kranten'. Hij nam deel aan een driedaags seminar van Nederlandse en Indonesische geleerden, georganiseerd door de diplomaat Max Gitz, met als thema 'Vier eeuwen Nederlands-Indonesische ontmoetingen'. Zij spraken over boeiende, maar soms wat buitenissige onderwerpen, van koloniale eetgewoonten tot Bosscha's Sterrewacht in Lembang.

Een grillig mozaiëk van geleerde liefhebberijen, want de koloniale ontmoeting is in het hedendaagse Indonesië nog geen onderwerp van systematische studie. Ambassadeur Van Roijen zei het in zijn welkomst-speech vanzelfsprekend diplomatiek: “In Nederland hebben heel wat historici zich bijna uitsluitend beziggehouden met de expansie van Nederlands economische en politieke macht in de wereld of, later, met de vraag hoe die macht in luttele jaren kon verdwijnen. Aan Indonesische kant wenst men, heel begrijpelijk, meer aandacht te besteden aan de groei van het nationale besef, de strijd tegen kolonialisme en imperialisme en het verlangen naar soevereiniteit.”

De historicus dr. Ong Hok Ham (60), die het seminar plezierde met een voordracht over de rijsttafel als Indisch instituut, zegt het zonder omhaal: “We hebben te weinig geschiedkundigen en die leggen het nog steeds af tegen de ideologie. En die luidt: het koloniale verleden was louter negatief, een tijd van uitbuiting en verdeel-en-heers. Politieke slogans, te simplistisch; ha, er was genoeg verdeeldheid, daar hoefden de Hollanders weinig aan te doen. De belangstelling gaat nog steeds vooral uit naar de handel en wandel van Indonesiërs: opstandelingen, succesvolle kooplui en nationalistische leiders”. Dr. Ong is behalve een voortreffelijke kok ook auteur van geschriften over het Javaanse dorp in de negentiende eeuw (zijn proefschrift), over Daendels als grondlegger van het Napoleontische staatsbestel in Insulinde en over de ondergang van Nederlandsch-Indië in 1942. Het alfa en omega van de koloniale staat, kortom.

Toch beschouwt Ong zichzelf niet als de pionier van de herwaardering van de koloniale tijd in de Indonesische historiografie. Die eer kent hij toe aan prof.dr. Sartono Kartodirjo (73) van de Gajah Mada Universiteit in Yogyakarta. Deze zoon van een Javaanse ambtenaar bij de posterijen van Nederlandsch-Indië promoveerde in 1966 - in Amsterdam - op een aandachttrekkend proefschrift over een negentiende-eeuwse boerenbeweging in West-Java. Prof. Sartono tegen een journalist: “Mijn promotor zei me dat als je mijn naam wegliet, niemand kon merken dat dit boek was geschreven door een Indonesiër. Ik heb dit maar opgevat als een compliment voor de objectiviteit van mijn werk.” Sartono was de eerste, en zeker niet de minste Indonesische historicus die ook de positieve kanten van Nederlandsch-Indië belichtte en aandacht besteedde aan de zogenoemde Ethische Richting in de koloniale politiek.

Gewone tijd

Onder Indonesiërs vervaagt, met het verstrijken van de tijd, de herinnering aan 'Indië'. Die herinnering was, net als in Nederland een mengeling van weemoed en wrok, met dat verschil dat niet het afscheid de trauma's aanrichtte. Het feit dat de Indonesiërs de breuk zelf hebben geforceerd, heeft een louterende werking gehad op de volksziel. In de jaren vijftig spraken ouderen nog van de Hollandse periode als de Zaman Normal, de gewone tijd. Maar dat hoor je allang niet meer. Echte nostalgie vind je nog bij een enkele Javaanse edelman, die ooit diende in de pangreh pradja, het inlandse bestuurscorps, en behoorde tot de kleine minderheid die van de Nederlanders een behoorlijke opleiding kreeg. Of bij een nazaat van een Kapitein of Majoor der Chineezen, die nog dineert met tafelzilver dat ooit gekopieerd is van Begeer.

De Javaanse uitbater van Restaurant Noordwijk, die vloeiend Nederlands spreekt en de liefhebber onthaalt op biefstuk in veel boter, verwoordt de post-nostalgische zienswijze. Hij presenteert een Adipati-sigaar, de Indonesische pendant van Willem II, steekt er zelf ook een op en zegt vergenoegd: “Meneer, ik kan er nog steeds van genieten dat dit nu ook voor ons is weggelegd”.

    • Dirk Vlasblom