Zware jongens

Van der H. deed de kraag van zijn jas omhoog en zette een zwarte zonnebril op. Daarna wreef hij zich over zijn stoppelbaard en keek in de spiegel. Onherkenbaar, constateerde hij tevreden. Via de achterdeur van het huis sloop hij de nacht in en liep naar een auto, die twee straten verder geparkeerd stond. Hij startte de motor en begon te rijden, waarbij hij voortdurend zijn achteruitkijkspiegel in de gaten hield. Een paar maal sloeg hij plotseling af en even voor de snelweg maakte hij met piepende banden een U-turn. Pas toen hij er zeker van was dat hij niet langer werd gevolgd, zette hij koers naar de haven.

Het was donker in de Tropicana. Een oude neger speelde op een valse piano en op een rokerig toneeltje voerde een van de meisjes een act op voor dildo en komkommer, maar Van der H. had daar nauwelijks oog voor. Hij ging aan de bar zitten en bestelde een dubbele. Daarna wachtte hij af. Het duurde nog enige tijd voordat een man met een baard en een hoed op bij hem aanschoof. Heel even lichtte de man zijn hoed op.

“Verdomme, Stoffelen! Je laat me schrikken, man. Ik zou je nauwelijks herkennen met die aangeplakte baard”.

“Ssst...”, siste S., “noem mij geen Stoffelen. Wil je soms dat iedereen van dit gesprek mee kan genieten?”

De twee mannen zwegen een tijdje en luisterden naar de pianist, die een wanhopige poging deed om Frank Sinatra's song Chicago te vertolken.

Ten slotte nam S. het woord. “Luister”, zei hij, “we hebben nu bijna vier jaar samengewerkt. Het is misschien geen innige samenwerking geweest, toch zijn wij er al die tijd aardig in geslaagd het land onder controle te houden. Maar volgende maand kiezen onze families weer hun nieuwe Godfather en daarom hebben wij besloten Hirsch aan te pakken. Wij hebben goede reden om aan te nemen dat Hirsch de politie niet langer haar gang wil laten gaan. Er is ons 500 kilo heroïne beloofd, maar die zijn nooit aangekomen. Daarvoor zal toch iemand de verantwoordelijkheid moeten dragen.”

Van der H. had moeite zijn woede te verbergen. “Mag ik je er dan op wijzen”, slikte hij, “dat al die commissarissen en Officieren van Justitie die nu de boel versjteerd hebben voor het merendeel lid zijn van jouw familie.”

“Eerdaags zullen wij met hen een functioneringsgesprek hebben.”

“Je bedoelt dat ze binnenkort met een blok beton aan hun been het verkeer op de bodem van het IJ mogen regelen?”

“Van der Heijden, let op je woorden!”

“Ssst... noem mij geen Van der Heijden. De buren hebben oren. Ik zeg alleen dat wij geen matennaaierij zullen accepteren.”

“Wat bedoel je?”

“Ik bedoel, Stoffelen: als Hirsch wordt aangepakt dan zullen wij op onze beurt afrekenen met Thijn.”

“Noem mij geen Stoffelen, Van der Heijden! Straks luistert de hele vaderlandse pers mee. Waar het mij om gaat, is dat Thijn geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor het feit dat die lading heroïne nooit op straat is gekomen. Hij was gewoon niet op de hoogte van die hele transactie.”

“Niet op de hoogte? Dat geldt toch ook voor Hirsch. Die was verkeerd voorgelicht. Daarom heeft onze familie besloten: als Hirsch gaat, gaat Thijn mee. Dat is een oude wet.”

“Vendetta?”

“Jij zegt het.”

“Luister, op die manier is ons gesprek zinloos. Ik stel een compromis voor, maar het is een compromis waarbij je een beetje logisch moet kunnen denken.”

“Vertel op.”

“Je kunt de redenering ook omdraaien, er een zogenaamd negatieteken voorzetten. Ik bedoel: als Hirsch niet gaat, gaat Thijn ook niet.”

“I see what you mean. En dan is ook niemand verantwoordelijk?”

“Nee, niemand. En als eenmaal de zaak is afgehandeld, laten we gewoon wat gebruikelijke verdachten oppakken.”

“En tot hoe lang moet de wapenstilstand duren, dacht je?”

“Ik stel voor tot na de komende verkiezingen.”

    • Max Pam