Vissersdrama over de Afsluitdijk door ruiten van een strandpaviljoen

Voorstelling: Dood water door Theatergroep Hollandia. Tekst: S. Koster en G. Rutten. Bewerking: Tom Blokdijk. Regie: Mechtild Prins. Spel: Dianne Krijnen, Hein Verhees, Michiel Nooter. Gezien: 7/4 Strandpaviljoen 'De instuif', Wijk aan Zee. T/m 16/4 aldaar. Inl. en res.: 075-310.231.

Nederland, een land gewonnen uit water. Vele generaties schoolkinderen zijn grootgebracht met prachtige verhalen over de strijd tegen de zee. In die verhalen is de glorieuze hoofdrol steevast weggelegd voor de dijkenbouwers, de inpolderaars, de pientere ingenieurs.

Mechtild Prins laat in Dood water de andere kant van de medaille zien. Dood water gaat over de aanleg van de Afsluitdijk en de rampzalige gevolgen daarvan voor de vissers aan de voormalige Zuiderzeekust. In het brakke water vangen zij niets meer. Wat moeten ze doen: ander werk zoeken of verzet plegen?

Door de ruiten van een strandpaviljoen kijken we naar het oerhollandse vissersdrama dat de regisseuse van Volendam naar Wijk aan Zee verplaatste. Wasgoed wappert in de wind, een meeuw scheert voorbij, de zon gaat onder. Drie zwarte figuurtjes in het zand turen naar de witte schepen aan de horizon. Die drie acteurs maken een inventief gebruik van het enorme speelvlak. Soms zijn ze niet meer dan een stip voor de streep van de branding, soms staan ze ineens voor het raam, indrukwekkend massief in hun Volendammer pakken. Ze zijn aards en monumentaal, deze personages, maar ze hebben ook iets schimmigs, omdat we hen buiten zien bewegen terwijl we binnen hun stemmen op een geluidsband horen.

Dood water is gebaseerd op de gelijknamige film die Gerard Rutten in 1934 maakte, twee jaar na de voltooiing van de Afsluitdijk en drie jaar na het tot stand komen van Terra Nova, de door Rutten geregisseerde eerste Nederlandse geluidsfilm. In de voorstelling klinken de dialogen veel te hard en de stiltes oorverdovend, want hier wordt aan een tijd gerefereerd waarin het evenwicht tussen beeld en geluid nog bijzonder wankel was. Al even houterig als de teksten op de band zijn de gebaren van de spelers in het zand. Er wordt nooit gewoon gelopen, maar uitsluitend gewaggeld, als in een versneld afgedraaid filmpje.

Eerst heeft dat hoogst gekunstelde gestuntel aan de andere kant van het glas vooral een komisch effect, maar later ervaren we toch iets van de oorspronkelijke tragiek. Met degenen die zich tegen de nieuwe tijd verzetten loopt het in deze voorstelling slecht af. Een jonge visser die van zijn vader boer moet worden, vaart bij storm uit en verdrinkt. Een oude visser wil de Afsluitdijk opblazen en vliegt daarbij zelf de lucht in. De winnaar is een vissersknecht die bereid is zijn wortels door te snijden in ruil voor een baan met toekomst. Mechtild Prins kiest geen partij. Ze zet alleen een vraagteken bij de sleutelzin van het stuk, uitgesproken door de voortvarende knecht: “Wie niet weet dat de tijd voorbij gaat en dat elke dag wat anders van ons wil, die weet niet dat-ie leeft.”

Theatergroep Hollandia gaf jonge theatermakers de opdracht een voorstelling over een onderwerp uit de Noordhollandse geschiedenis te maken. Dood water, de derde produktie uit de reeks, is meer dan een folkloristisch drama en meer dan een historische momentopname. Daarmee heeft het toch al zo aardige Noordpunt-Zuidpunt-project een waardige afsluiting gekregen.

    • Anneriek de Jong