Twee keer geboren; Maria Nurowska over een kaleidoscopische moeder-dochterrelatie

Maria Nurowska: Aan de andere van de dood. Uitg. De Geus,169 blz. Prijs ƒ 32,90.

In de autobiografische roman Aan de andere kant van de dood uit 1977 beschrijft Maria Nurowska (1944) de dagen 27, 28 en 29 mei 1972, drie dagen die volgden op de dood van haar moeder. Een dergelijke overdaad aan jaartallen in een enkele zin mag vreemd lijken, maar wie geïnteresseerd is in Polen en de moderne Poolse literatuur, weet hoe belangrijk deze zijn. Zo was Nurowska's moeder in 1944 kort voor de geboorte van haar dochter verbindingsofficier. Aan een dun draadje op haar hoogzwangere buik smokkelde ze boodschappen langs de Duitse wachtposten, terwijl om haar heen verzetsorganisaties werden opgerold en er elke dag executies plaatsvonden.

In het boek gaat het over een Magda die moet meemaken hoe haar moeder, een verzetsheldin, zich na de oorlog op de journalistiek stort om het onrecht te blijven bestrijden. In de stalinistische periode valt ze wegens haar verzetsverleden in ongenade en raakt ze aan de drank. Onder invloed van alcohol en verbittering leidt haar avontuurlijke temperament haar tot onberekenbaar wangedrag. Ze haalt een vijftien jaar jongere minnaar in huis - Magda groeit op tussen haar vader, haar moeder en de 'adjunct' - ze wordt veroordeeld wegens openbare dronkenschap en werkt tot slot haar dochter het huis uit als deze de leeftijd bereikt om bij de 'adjunct' in de smaak te kunnen vallen.

Op het eerste gezicht geen benijdenswaardige relatie om op terug te blikken. En toch. Als Magda er maar niet toe komt om de begrafenis van haar moeder te regelen, is dat omdat ze in beslag wordt genomen door het opmaken van de balans. Op dat moment verdwijnt het liederlijke beeld van de zuipschuit die wijdbeens op de keukenvloer urineert en haar dochter voor hoer en slet uitmaakt, van de herrieschopster die bruiloften verpest en al haar vrienden verliest. Het maakt plaats voor dat van een markante persoonlijkheid die opkomt voor onderdrukten, die wordt aanbeden door een zigeunerkoning en die tegen het advies van de artsen in haar dochter uit het ziekenhuis haalt om deze een jaar lang te verplegen.

Magda, zo schrijft Nurowska, heeft het gevoel dat haar moeder haar twee keer heeft gebaard, de eerste keer toen ze haar het leven schonk en de tweede keer toen ze haar aan de dood onrukte. Het boek opent vrij cryptisch met deze tweede 'bevalling'. Eigenlijk vergeeft Magda het zichzelf niet dat zij haar moeder wel heeft laten doodgaan en daarom slaagt ze er niet in het nodige te ondernemen om haar ter aarde te bestellen.

Drie dagen in 1972 loopt Magda met haar dochtertje doelloos door Warschau. En drie dagen lang geeft ze zich over aan een terugblik, die niet chronologisch, maar eerder 'kaleidoscopisch' is. Het verhaal verspringt voortdurend in de tijd en de opgeroepen beelden verdringen elkaar.

Door de schalen van weerzin en bewondering beurtelings te vullen, brengt de schrijfster de waag uiteindelijk in evenwicht en zo ontneemt ze de lezer de mogelijkheid om deze moeilijke relatie te veroordelen.

Gloriedagen

De verschijning van De andere kant van de dood betekende voor Nurowska in 1977 een doorbraak naar het grote lezerspubliek. Ook hier speelt de datum een rol. Na de 'dooi' en Gomulka's socialisme 'met een menselijk gezicht' van de jaren zestig, beloofde Gierek de Polen welvaart en voorspoed. Met enorme buitenlandse leningen wist hij in de jaren zeventig deze illusie hoog te houden, met de bekende gevolgen vandien. Het jaar 1977 valt in de gloriedagen van de Poolse cultuur: Pools theater, Poolse films, Poolse kunstenaars en Poolse schrijvers worden buiten de grenzen van het land bewonderd en in de aanloopperiode van 'Solidarnosc' gebruiken Poolse kunstenaars dit succes om een versoepeling van de censuur af te dwingen en een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van het regime te veroveren.

Uit Nurowska's werk spreekt dezelfde onderkoelde bezieling als uit de films van Wajda en Kieslowski of de boeken van Konwicki uit die tijd. Kenmerkend is de manier waarop zij zonder omhaal een werkelijkheid oproept waarin de menselijke tragedie wordt herleid tot alledaagsheid. De Polen hadden zoveel meegemaakt dat ze hun ervaringen moesten bagatelliseren om ermee te kunnen leven. Bovendien had het dagelijks leven zulke ongerijmde aspecten, dat schrijvers of filmers nauwelijks iets hoefden te 'verzinnen' om hun werk die typische geladenheid te geven. Banale anekdotes kunnen de tragiek van het menselijk bestaan laten zien.

In dit boek levert deze voorkeur voor het banale enkele absurde momenten op, bijvoorbeeld wanneer Magda bij de pastoor een plaatsje op het kerkhof wil bestellen en niet weet hoeveel geld ze over de tafel moet schuiven. Er volgt een gesprek in codetaal, dat nog eens wordt herhaald met de organist en de koster.

Aan de andere kant van de dood is al aangrijpend omdat er een bijzondere moeder-dochterrelatie in wordt beschreven, maar wordt dit des te meer doordat het wurgende besef zich aan de lezer opdringt dat er achter Magda en haar moeder zo verschrikkelijk veel andere geknakte levens en verstoorde verhoudingen schuilgaan. Na 1977 werd in 1981 de staat van beleg uitgeroepen en in 1989 viel de regering van Jaruzelski. Voorlopig zullen jaartallen een rol blijven spelen in de Poolse literatuur.

    • Edith Klapwijk