Turkije ziet Duits wapenembargo als een politiek gebaar

ANKARA, 8 APRIL. De voorlopige opschorting door de Duitse regering van de levering van militair materieel aan Turkije, wordt door Ankara als een politieke waarschuwing opgevat. Minister van buitenlandse zaken Hikmet Çetin zei dat Turkije niet zozeer militair wordt getroffen, omdat men het materieel nu ook via Rusland kan aankopen. Volgens hem was de beslissing van Bonn ingegeven door politieke motieven.

Het is de tweede keer in twee jaar tijd dat Ankara en Bonn ernstig overhoop liggen over de politiek van Turkije ten aanzien van de Koerden in het zuidoosten van het land. De problemen hebben betrekking op de naleving van een militaire overeenkomst die Turkije en Duitsland na afloop van de Golfoorlog in 1991 afsloten. Bonn stelde 1,5 miljard mark beschikbaar voor een militair hulpprogramma aan Turkije. Daaraan werd echter de voorwaarde verbonden dat het materieel, vooral tanks en pantservoertuigen, slechts mag worden ingezet in NAVO-verband. Met andere woorden: Turkije wordt niet geacht dit materieel te gebruiken bij de bestrijding van Koerdisch separatisme in het zuidoosten van het land.

Daarnaast levert Duitsland Turkije in het kader van het algemene hulpprogramma van de NAVO - rijke bondgenoten ondersteunen arme bondgenoten - voor 78,5 miljoen mark aan militair materieel. Dit hulpprogramma is inmiddels al volledig uitgevoerd, terwijl van het bilaterale hulpprogramma nog voor 40 miljoen mark aan militair materieel moet worden afgeleverd. Het is dit programma, waarvan een deel op 15 april zou worden uitgevoerd, dat Bonn voorlopig heeft opgeschort, omdat men er niet van overtuigd is dat Turkije het materieel niet inzet in Zuidoost-Turkije, zoals Ankara volhoudt.

Bonn schortte om dezelfde redenen in 1992 ook enkele maanden de levering van militair materieel aan Turkije op. Het tijdelijke embargo waartoe Bonn gisteren besloot, omvat reserveonderdelen en richtapparatuur, maar het hangt van de uitkomst van de discussie af die woensdag in het Duitse parlement wordt gevoerd, of ook de levering van 16 RF-4 gevechtsvliegtuigen aan Turkije in gevaar is.

Duitsland wordt als een belangrijke bondgenoot beschouwd in de strijd tegen de Koerdische Arbeiders Partij (PKK), die een guerrilla-oorlog voert in het zuidoosten. Bonn verbood vorig jaar de PKK en aanverwante Koerdische organisaties en wil nu Koerden naar Turkije terugsturen die de Duitse wetten overtreden. Die beslissing is in mensenrechtenkringen en in links-politieke gelederen, met name de Groenen, omstreden, omdat de Koerden in Turkije bloot zouden staan aan martelingen en de kans lopen tot de doodstraf te worden veroordeeld.

Vertegenwoordigers van verscheidene Duitse groeperingen fungeerden rond het Koerdische nieuwjaar, op 21 maart, en gedurende de Turkse gemeenteraadsverkiezingen, een week later, als waarnemers in Zuidoost-Turkije. Zij waarschuwden Bonn bij terugkeer dat er wel degelijk voormalig Duits militair materieel wordt ingezet in de strijd tegen de PKK. De indruk in Turkije is dat de beslissing van Kinkel om Turkije voorlopig geen militair materieel te leveren, dan ook mede is bedoeld om de publieke opinie in Duitsland te sussen. Kinkel heeft heeft echter steeds onderstreept dat hij de PKK ziet als een terreurorganisatie die moet worden bestreden, maar dat Turkije tegelijkertijd politieke oplossingen zal moeten vinden voor het Koerdische vraagstuk.