Stil wordt het niet in Griekenland

Iets dat in Griekenland niet valt te verwezenlijken is absolute stilte. Zo'n moment als zich bijvoorbeeld in het Concertgebouw voordoet vlak voor de aanvang van een symfonie van Bruckner, of vlak nadat zij is verklonken, komt in Athene niet voor - nog afgezien van het feit dat Bruckner er vrijwel onbekend is. Na het slotakkoord is er altijd wel iemand die te vroeg 'bravo' roept, en in de seconden voor de aanvang zijn er altijd wel een of twee die nog van plaats willen veranderen.

Dat gedurig verzitten is ook een probleem in de bioscoop, waar het eigenlijk nooit rustig wordt, tenzij er heel weinig bezoekers zijn. Er komen voortdurend mensen binnen, en wat erger is: die zetten hun conversatie nog een tijdje voort. Men vindt het hier niet erg om het begin van een film te missen, je kunt bij de volgende voorstelling nog even blijven zitten. Maar ook het begin van de tweede helft wordt vaak opgeofferd, omdat de sigaret, buiten de zaal, nog niet was opgerookt. Luid kakelend komen ook deze mensen binnen als de film alweer begonnen is.

Stil wordt het in Griekenland niet, maar er zijn wel kansen voor verstilling. Als een zangeres, aan het einde van een feestelijke nacht, haar uitermate versterkende microfoon demonstratief weghoudt en op eigen kracht begint te zingen, klinkt in de zaal meteen een ssst. Men staakt het erdoorheenpraten waar men zich de hele tijd aan heeft overgegeven, uit eerbied voor de prestatie.

Wat afgelopen zomer in het antieke openluchttheater van Epidavros viel te registreren, was dubbel opmerkelijk. Daar werd een lang aangekondigd, avondvullend concert gegeven door Eleni Karaïndrou, die de muziek bij de meeste films van Theo Angelopoulos heeft geschreven.

Wie deze films heeft gezien weet dat het de meest verstilde muziek is die er bestaat. In Griekenland is ze niettemin populairder geworden dan de films zelf, waarvan er sommige maar een of twee weken hebben gelopen. Enkele liedthema's worden gretig meegezongen, en platen met de sound-track worden goed verkocht. Een betoverend concert in het Herodes Atticus-theater aan de voet van de Akropolis, twee jaar geleden, was lang tevoren uitverkocht, en hetzelfde deed zich voor bij dit concert in Epidavros, waarbij men in aanmerking moet nemen dat daarvoor vanuit Athene 150 kilometer moet worden afgelegd, plus de terugreis laat in de avond.

Terwijl het theater in de schemering langzaam volliep, prees ik me gelukkig te wonen in waarschijnlijk het enige land waar men te hoop loopt voor dermate verstilde muziek. Ik besefde toen nog niet dat het 'te hoop lopen' ook een noodlottige schaduwzijde had.

Even nadat het frêle, om niet te zeggen nietige figuurtje van Eleni, nu ook dirigente, haar opwachting had gemaakt en het gepraat van het publiek was overgegaan in de eerste, bedeesde akkoorden, hoorden we vanuit de verte een vaag geroep, dat allengs sterker werd. Geleidelijk viel er ook een woord te onderscheiden: èschos, schande.

Het was duidelijk wat er aan de hand was. Enkele honderden werden niet meer in het overvolle theater toegelaten, hoewel ze wel kaarten hadden. Een week eerder was hetzelfde gebeurd bij een Aristofanes-voorstelling, hetgeen een onbeschrijfelijke verwarring had opgeleverd, waardoor men pas na anderhalf uur kon beginnen.

Een herhaling had men willen voorkomen, en daarom was alom aangekondigd dat wie na tien voor negen bij de poort verscheen, niet meer zou worden toegelaten. Het officiële aanvangsuur was negen uur, en het concert was om kwart over negen begonnen. Het ging om duidelijke laatkomers, die dachten: als we maar hard genoeg schreeuwen, komen we er nog wel in.

Meer dan eens lukt dit ook in Griekenland, maar ditmaal waren de autoriteiten bij de ingang onvermurwbaar. De muziek ging rustig voort, of er niets aan de hand was. De Noorse saxofonist Jan Garbarek blies zijn wonderschone partij uit De Imker, een onbekende zangeres bracht het prachtige lied van Rosa uit de Griekse film Rosa Luxemburg, die niet van Angelopoulos was. Het strijkorkest trachtte 'Landschap in de Mist' te doen herleven.

Maar de tweehonderd maakten steeds meer kabaal. Het was duidelijk dat ze de hoop hadden verloren nog binnen te komen, en dat hun enige oogmerk nu nog bestond uit wraak. Het schreeuwen werd krijsen, en ook werd er gebeukt, met wat voor instrumenten werd niet duidelijk. Soms werd het even stil, en dan dachten we: ze zijn eindelijk weggegaan, maar dan begon het plotseling weer met hernieuwde kracht.

Te genieten viel er niets meer, te overdenken des te meer. Die mensen buiten - als ze er in waren gekomen hadden ze net zo stil zitten luisteren als wij. Maar ze bleken zo boos te kunnen worden dat ze het genoegen voor veertienduizend mensen vergalden. Was dit nu typisch Grieks, of zou het in andere landen ook denkbaar zijn? Nederland?

Er was geen pauze, iets waar de schreeuwers misschien nog hun hoop op hadden gevestigd. Zowat op driekwart van het concert vertrokken ze, waarschijnlijk om tenminste als eersten weer thuis te zijn - de eindeloze colonne terug naar Athene werkt sterk vertragend. Nog een half uurtje hebben we in stilte kunnen luisteren naar Eleni, met wie we ook zo'n medelijden hadden gekregen, en die een enorme ovatie kreeg. Overigens verklaarde ze na afloop desgevraagd dat ze niets van het lawaai had gehoord.

    • Frans van Hasselt