Socialisten

Ik zie hoe Hirsch Ballin achter de regeringsbanken de gehavende rug strekt en moet ineens aan Harm Ottenbros denken. Een renner die voornamelijk bestond uit spuug en ijzerdraad. Maar op een dag was hij wel wereldkampioen. Om vervolgens nooit nog iets van zich te laten horen. Dat is de echte grandeur: één keer laten zien wie je bent en dan heerlijk terugtreden in de warme jas van de anonieme schlemiel.

Was Ottenbros nog maar onder ons.

Het Nederlandse wielrennen is gedegradeerd tot een fotoboek. Niet de voortschrijdende traditie, alleen de herinnering bewaakt nog het roemrijke verleden. Als een verstorven echo. Breukink, Rooks, Theunisse zijn alweer uit de regen en de Ronde van het Baskenland gestapt. De lokroep van de bezemwagen was sterker dan de geur van masseerolie. Reden Frans Maassen en Jelle Nijdam ook mee in de Ronde van Vlaanderen? De trieste nevel die over de Muur van Geraardsbergen en de Oude Kwaremont heerste was zichtbaarder dan hun pedaalslag. Pap in de benen en pap in het hoofd, wellicht. Er is meer leven in een slapende steppe dan bij de dertigjarige veteranen van het Nederlandse profwielrennen. Dikke benen Jelle? Waar dan?

De sportkranten kunnen de gêne voor zoveel verval niet meer dragen. Voor hun voorbeschouwingen over de Ronde van Vlaanderen togen ze zowaar naar de laatste flandriën in de Westhoek. Geen woord over Maassen, Harmeling en Schurer. Die het geluid van de nederlaag ook wel kennen maar die niet, zoals de oude Briek Schotte, weten wat sterven is. Daarom, zo decreteerden de sportchefs: liever een paginagroot levensverhaal van een vooroorlogse campionissimo uit Waregem dan nog maar eens een rozenkrans over toeval en noodlot, onmacht en luxe met Theunisse, Raas of Priem. Geen sterveling in Almere die nog weet wie Briek Schotte is maar de ijzervretende raccrocheur van weleer vertelt de dingen in het sappigste Westvlaams en dat maakt veel goed. “Preparatie? Ik reed goddomme op een schelle hesp en een pot bruin bier.”

Nog niet zo lang geleden waren de kromme ruggen in het peloton evenveel leesbare tekens van nationale trots en volksverheffing. De fiets als vehikel van de emancipatorische droom, zingend van eeuw tot eeuw, heeft stand gehouden tot en met Zoetemelk. Theunisse, Rooks en Breukink zorgden met een sporadisch exploot nog voor een walmpje euforie maar niet meer voor collectieve ontroering. Maarten den Bakker, Tristan Hofmann en Rob Mulders raken de ziel van het volk al helemaal niet. Zij lijken wel uitgebroed onder disco-licht, niet in het zweet van een armlastige moederkloek. Dan kun je het als renner vergeten.

Rouleren, demarreren, sprinten...is een vorm van fysiek geweld, van primitieve nederigheid dus. Zeker de aprilklassiekers met hun kasseistroken, hondse buien en silhouetten van grafzerken en donkere verlatenheid langs de weg, dwingen de renner tot de verbeelding van de armen. Die de keuze hebben tussen honger en ontbering of vernederd worden. In Parijs-Roubaix aan de kop van het peloton uit het bos van Wallers willen komen, met nog zevenentwintig kasseistroken voor de boeg, is een daad van sociale debilisering. Maar wel mooi. Voor Nederlanders te mooi om waar te zijn.

Parijs-Roubaix rijden is terugtreden in een oudere eeuw. Toen er van het post-moderne inferno nog geen sprake was. Toen renners dachten dat het lichaam alleen op cognac reageerde, niet op vetzuren, ijzerquota, groeihormonen en synthetische bloeddoping. La Reine des Classiques slingert zich onverminderd als een waterlinie tussen het biefstuk-socialisme van de flandriëns en het trendy-dieet van de hightech-casanovisten die tegenwoordig op de fiets zitten. Alleen socialisten van het oude stempel kunnen deze klassieker winnen. Tot die metamorfose in de tijd, antieke begeerte en ouderwetse motto's over geluk en vooruitgang zijn nu, vreemd genoeg, alleen de Italianen in staat. Berlusconi is nog niet gans het volk.

De Nederlanders renners zullen de Hel van het Noorden andermaal betreden als saletjonkers, kermend tegen zichzelf in plaats van tegen de kasseien. Daarom kunnen we zondag beter met z'n allen op visite gaan bij tante Truus. Die ons dan een namiddag lang met een exegese van een stapel breipatronen kan behoeden voor het gevoel naar iets obsceens te hebben gekeken dat verborgen hoorde te blijven. Jammer voor Mart en Jean maar zij houden het onder hun beiden toch wel gezellig. Ook zonder ons.