Sneller, verder, hoger, hallelujah! Het koppige idealisme van Curtis Mayfield

Vier jaar geleden raakte soulzanger Curtis Mayfield door een ongeluk verlamd, maar hij blijft optimistisch. “I'm fair now. I'll be better later. I'll be great tomorrow,” zegt Mayfield, voor wie onlangs een tweede hommage-cd werd gemaakt. Ook de zwarte emancipatiebeweging, het onderwerp van veel van zijn liedjes, blijft hij met blijde blik bekijken: de donkere kant van de rap wordt door hem met veel goede wil tegemoet getreden.

Gladys Knight, Lenny Kravitz, Whitney Houston, Stevie Wonder, The Isley Brothers e.a. All Men Are Brothers; A Tribute to Curtis Mayfield. Warner Records 936245500-2 Een overzicht van Mayfields werk van 1961 tot 1977 is Curtis Mayfield & The Impressions; The Anthology. MCA 0881-10664-2

De muziek van Curtis Mayfield heeft iets van een evangelie; een blijde boodschap van liefde, zelfverheffing en verlossing, verspreid over de wereld, eindeloos uitgedragen door anderen. People get ready, there's a train a-coming... voor het eerst opgenomen in Chicago in de herfst van 1964 door Mayfields groep The Impressions, later gezongen door Otis Redding en Aretha Franklin en nog veel meer soulzangers uit de jaren zestig, weer later opgenomen door Rod Stewart en Jeff Beck. En zo is het met de meeste van zijn nummers. Denk aan Mayfield en je denkt al snel aan de stemmen van anderen: aan het donkere, zandgeschuurde geluid van Bobby Womack die 'Gypsy Woman' zingt, aan het gekwinkeleer van Deniece Williams' in haar versie van 'I'm So Proud', aan de achteloze harmonieen van The Staple Singers in 'Let's Do it Again'. bpMayfield is altijd meer geweest dan een zanger-componist wiens Chicago Soul zich goed door anderen lieten zingen: zijn muziek draagt de hoop en de idealen van een heel tijdperk in zich. 'Curtis Mayfield had his finger on the pulse of society,' verkondigt Gladys Knight, onnavolgbaar sprechsingend in de intro van haar versie van 'Choice of Colors', waarmee de hommage-cd All Men Are Brothers opent. 'Even when we as a people did not know where we were going, Curtis musically led the way.'

Die tijd was de jaren zestig, de idealen waren die van de zwarte Amerikaanse emancipatiebeweging. De liedjes die Mayfield in die jaren voor The Impressions schreef waren wereldse gospel: innerlijke kracht, sociale vooruitgang, en een onvoorwaardelijk geloof in de eeuwige broederschap van alle mensen. Aan alle haat zou een einde komen, als je maar positief dacht. Alles zou beter worden, als je je best maar bleef doen.

De titels van Mayfields nummers vormen tezamen een voorwaartse beweging: 'Amen', 'People Get Ready', 'We're a Winner', 'Keep On Pushin', 'We're Rolling On', en zijn solonummer 'Move On Up' - sneller, verder, hoger, hallelujah! Die boodschap werd nog versterkt door het stuwende ritme en de hoge, breekbare stem van Mayfield zelf, die binnen The Impressions een steeds belangrijker plaats innam en uiteindelijk, in 1970, een solocarriere begon. Je hoeft niet eens naar de teksten te luisteren om te weten waar zijn nummers over gaan; hier is iemand bezig zichzelf te overstijgen.

In de zwarte burgerrechtenbeweging van de jaren zestig gingen sociale bevlogenheid en spiritualiteit hand in hand; ook politiek idealisme was een geloof. En God was nooit ver weg, Zijn Stem klonk door in protestliederen, in toespraken en spreekkoren, of het nu om rassenintegratie of betere behuizing ging. Materiele welvaart stond niet los van geestelijke welvaart, het streven naar integratie en goedbetaalde arbeid ging gelijk op met dat naar universele broederschap.

IJkpunt

Voor Mayfield is die tijd altijd het ijkpunt van zijn leven gebleven. De muziekhistoricus Peter Guralnick citeert hem in zijn boek Sweet Soul Music (1986): “Weet je, wanneer ik over de jaren zestig spreek, krijg ik bijna tranen in mijn ogen. Wat we toen deden. Wat we met z'n allen deden. We veranderden de wereld - ik, wij, Smokey Robinson, Jerry Butler, de Tempations, Aretha, Otis, Gladys Knight, James Brown. Echt waar. Barrieres vielen weg voor ons. En voor alle zwarte musici na ons. Ik bedoel, dat meegemaakt te hebben, daar deel van te hebben uitgemaakt, dat is meer dan een mens mag verlangen.”

Daarna kon het alleen nog maar tegenvallen. De gospelpolitiek van de zwarte burgerrechtenbeweging leidde niet tot bevrijding en verlossing van de Amerikaanse zwarten, de armoede onder hen werd alleen maar groter, en de getto's niet kleiner. De euforie verdween even snel als ze gekomen was. Als soloartiest kende Mayfield in de jaren zeventig grote successen, de grootste met zijn muziek voor de film Superfly (1972), zijn arrangementen werden complexer, zijn ritmes steeds nog stuwender en zijn stem klonk nog hoger ('Freddie's Dead'), maar het evangelie klonk lang niet meer zo bezield - soms zelfs futloos. xpDat de tijden veranderd waren, bleek wel uit de films waar Mayfield de muziek voor schreef: zogenaamde blaxploitation movies, waarin de geweldadige gettowereld van zwarte pooiers en drughandelaars werd geromantiseerd. Terwijl Mayfield in nummers als 'Freddie's Dead' en 'Pusherman' over de tragiek van geweld, dollars en drugs zong, werd dit alles in de film juist met een dikke laag gangsterglamour bedekt. Mayfields vertrouwen in de mensheid bleef echter ongeschonden. In een telefonisch interview met het muziekblad Oor verklaarde hij vorige maand: “Ik vond dat die film eruit zag als een lange commercial voor cocaine. Maar onder al die oppervlakkige commercialiteit lag wel degelijk een echt verhaal verborgen. Over iemand die aan het getto's wil ontsnappen en overleeft. Daarom heb ik bovenal dat verhaal in de songs willen vertellen, als een diepgaander commentaar op de filmbeelden.” Erg overtuigend klinkt het niet, maar een ding is zeker: de bedoelingen van Curtis Mayfield zijn altijd goede bedoelingen.

Rap

Hij is ook een onverbeterlijk optimist. Op 14 augustus 1990 werd Mayfield tijdens een openluchtconcert in Brooklyn door een vallende lichtbak geraakt. Sindsdien is hij vanaf zijn nek verlamd, maar zijn onwezenlijke droom ooit nog weer terug te keren in de muziekwereld houdt hem in leven. Tegen een Amerikaanse journalist verklaarde hij: “I'm fair now. I'll be better later. I'll be great tomorrow.” Ook de Zwarte Zaak blijft hij met een blijde blik bekijken: hij prijst de rappers die zijn werk onbekommerd sampelen en de donkere kant van de rap wordt door hem met veel goede wil tegemoet getreden. Mayfield voorzichtig in Oor: “Uiteindelijk hoor ik niet zoveel verschil tussen wat mensen nu uitdrukken en wat wij toen zeiden. Maar je kunt scherpe statements over de realiteit ook combineren met tact, poetische inspiratie en een beetje liefde en respect voor anderen.”

De rest van de wereld is minder hoopvol. In de vier jaar na zijn ongeluk zijn er al twee hommageplaten gemaakt voor Mayfield, die zwaar als een grafsteen op zijn oeuvre liggen, ook al zingt hij weer zelf voorzichtig een couplet van 'Let's Do It Again' op All Men Are Brothers. En je kunt ook niet beweren dat sinds de scheiding der geesten in de Amerikaanse zwarte burgerrechtenbeweging (Martin Luther King versus Malcolm X) het humanisme van Mayfield en de zijnen - spiritueel, verzoenend, altijd optimistisch - terrein gewonnen heeft. De wereld van Superfly is nog kinderlijk onschuldig vergeleken met de hel van het gettoleven die door de rappers wordt bezongen. En je hoort wel verschil: de door Mayfield in alle mogelijk toonaarden bezongen liefde heeft plaatsgemaakt voor een mechanische, uniforme haat. Er is geen groter contrast denkbaar dan dat tussen Mayfields laatste plaat voor zijn ongeluk, Take It To The Streets (1990), vol gloedvol gezongen, innig geengageerde nummers over daklozen en drugslachtoffers, en aan de andere kant de populaire gangsterrap, waarin onder het mom van sociaal protest op alles en iedereen een figuurlijke Uzi wordt leegeschoten. Maar de muziek van Curtis Mayfield mag dan niet van deze tijd zijn (de geest van de zwarte die eind vorig jaar in naam van de Zwarte Zaak in een trein op Long Island twintig mensen klakkeloos neerschoot, blanken, Aziaten en zwarten, zal voor een man als Mayfield domweg niet voorstelbaar zijn), ook aan het nadrukkelijke realisme van veel rapmuziek ontbreekt een dimensie, die meer en meer als een gemis wordt ervaren: de spiritualiteit van zangers als Mayfield. Zijn onwerelds idealisme is ontoereikend gebleken, maar woede over de wereld alleen blijkt ook niet genoeg.

bpDat is volgens mij de reden dat Mayfields muziek, vier jaar nadat hij voorgoed werd uitgeschakeld, weer zo aanwezig is in het werk van soulzangers, die na jaren van gladgestreken commercieel werk eindeloos weer eens een nummertje kunnen zingen (de uitgelaten versie van 'Keep On Pushin'' van de jonge Tevin Campbell op de hommage-cd belooft veel voor de toekomst), maar ook in de rapmuziek, waar Mayfields nummers na eerst eindeloos gesampeld te zijn, nu ook weer aarzelend echt gezongen worden. Het is te vroeg om te zeggen of het om meer gaat dan een nostalgische golf of de zoveelste trend, maar God en Curtis lijken teruggekeerd in de zwarte Amerikaanse muziek. Amen.

    • Bas Heijne