Relatie ministers met politie en OM onduidelijk geregeld

AMSTERDAM, 8 april. Behalve het doel van politieke overleving hadden de twee politieministers Hirsch Ballin (justitie) en Van Thijn (binnenlandse zaken) gisteren in het IRT-debat nog een ding gemeen. Beiden werden aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor overheidsorganen die op afstand van hun departementen zijn geplaatst. De minister van justitie kon er de nadruk op leggen dat het Openbaar ministerie (OM) geen buitendienst van zijn departement is. En voor de zeggenschap van de minister van binnenlandse zaken over burgemeesters geldt van oudsher dat deze niet verder reikt dan strikt nodig is voor hun herbenoeming.

Toch is politiebeleid een aangelegenheid waarin de hand van de centrale overheid zwaar op de burgemeester kan rusten. De zogeheten bouwvakrellen in 1966 hebben de Amsterdamse burgemeester Van Hall uiteindelijk zelfs zijn positie gekost. Dat was wel een unieke situatie. Problemen met de openbare orde leidden tot conflicten tussen de burgemeester en zijn korpschef Van der Molen, terwijl ook de verhouding met de hoofdofficier van justitie te wensen over liet.

In Amsterdam '66 ging het om het directe bevel over politie-optreden. Bij de IRT-affaire waren burgemeesters vooral betrokken in hun beheersfunctie, de zorg voor manschappen en middelen voor het interregionale team als hoofd van gemeentelijke politiekorpsen. De IRT-affaire speelde zich echter grotendeels af tijdens een overgangstoestand naar het nieuwe bestel van 25 grote regionale korpsen dat per 1 april van kracht werd. De nieuwe korpsen staan onder beheer van de burgemeester van de centrumgemeente ('superburgemeester') die een speciale verhouding heeft met de hoofdofficier van justitie en die wordt gecontroleerd door een college van burgemeesters uit de regio.

Hoe de minister van binnenlandse zaken in deze verhoudingen past moet nog worden uitgetest. Bij de totstandkoming van de nieuwe politiewet is uitgegaan van een opperbeheer op afstand. Prof.mr. C. Fasseur, die de nieuwe wet voor het kabinet schreef, karakteriseert het nieuwe stelsel als “even origineel als ingewikkeld”. Dit maakt de aangekondigde functioneringsgesprekken in de regio door minister Van Thijn extra interessant.

“Op zichzelf is er geen enkele aanleiding de politieke ministeriële verantwoordelijkheid voor het OM te relativeren”, heeft de Groningse hoogleraar staatsrecht mr. D.J. Elzinga opgemerkt. “Wel kan het echter wijs beleid zijn om niet al te sterk te interveniëren in de werkwijze van het OM”. Dat laatste betreft vooral de behandeling van individuele strafzaken. Het OM heeft een wettelijk monopolie op de vervolging van strafbare feiten en dient daarop zuinig te zijn. Officieren van justitie leggen ook een eed van “onzijdigheid” af.

Deze op de rechter georiënteerde rol van het OM staat de laatste tijd onder druk. Binnen het apparaat zelf is het accent bezig te verschuiven naar allerlei beleidszaken, bestuurlijke taken en een bedrijfsmatige aanpak ten koste van het justitiële handwerk. “Minder magistraat?”, vroeg het Algemeen politieblad eerder dit jaar aan de voorzitter van het Hoodofficierenberaad politie mr. A. Holthuis. “Ja”, was het ondubbelzinnige antwoord.

Als minister van justitie heeft Hirsch Ballin de afgelopen jaren bovendien duidelijk geprobeerd het OM naar zich toe te trekken. Bij herhaling hamerde hij op zijn “beheersverantwoordelijkheid” voor dit apparaat en maakte hij zich sterk voor intensievere “afstemming”. Daarbij is hij met name door zijn eigen partij, het CDA, van harte gestimuleerd. “De minister moet in de toekomst, meer dan nu, sturing en leiding geven”, maande het Kamerlid Soutendijk-Van Appeldoorn bij de behandeling van de justitiebegroting 1993.

Het was alsof zij de IRT-debâcle voorzag.

    • F.Kuitenbrouwer