Recht op de brandstapel; Nederlandse premiere van Berlioz' teruggevonden Messe solennelle

Hector Berlioz schreef in 1825 de definitieve versie van zijn Messe solennelle, maar later vond hij de compositie niet goed genoeg om uitgevoerd te worden. In zijn memoires schreef hij dat hij het manuscript had vernietigd. Toch werd het een paar jaar geleden teruggevonden en onlangs verscheen de afgekeurde compositie op cd. Is dat terecht?

Berlioz - Messe solennelle (Philips, 442 137-2) Nederlandse premiere: 10/4 (14.00u) door Radio Symfonie Orkest en Groot Omroepkoor en solisten o.l.v. Jansug Kakhidze; Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht.

De ware muziekliefhebber gluurt graag in geheime schetsboeken en onvoltooide manuscripten van geliefde componisten. Hun dood betekent een vogelvrij verklaring, de geschiedenis kent geen genade. Alles, maar dan ook alles van een dode componist heet van waarde te zijn. Iedere authentieke noot, op het flodderigste kladje genoteerd, gaat voor goed geld op veilinghuizen de deur uit en vormt voor historici een katalysator voor ongekende duidingen.

Zelfs de muziek die door de componist is afgewezen, is niet veilig voor de gretige handen van nieuwsgierigen. Hier neigt hun belangstelling naar een vorm van voyeurisme. Zeker als men de muziek ook daadwerkelijk gaat uitvoeren.

Een voorbeeld. Hector Berlioz, dat Franse, romantische genie, door zijn vader nog voorbestemd om arts te worden maar onontkoombaar aangetrokken door de toonkunst - Berlioz dus, componeerde in 1824, hij was net twintig, zijn eerste grote werk, de Messe solennelle. Het was een werk waarop geen zegen rustte.

Berlioz schreef de Mis in opdracht van de koorleider van de Parijse Saint-Roch kerk. De man beloofde hem gouden bergen: een honderdkoppig orkest en een nog veel groter koor. Er zou ruim voldoende repetitietijd zijn en de koorleden zouden de verschillende stemmen van de partituur voor alle musici uitschrijven. Maar toen het eenmaal zover was, waren er niet alleen veel te weinig musici, de muziekkopieen zaten ook bomvol fouten. In zijn memoires schreef Berlioz: “[De dirigent] geeft, berustend, een teken en men begint; maar na enkele ogenblikken moet men stoppen vanwege de talloze schrijffouten die iedereen in zijn partij ontdekt. Hier zijn de kruisen en mollen bij de muzieksleutel vergeten; daar ontbreken tien rusten; verderop zijn dertig maten weggelaten. Het is zo'n janboel dat men er geen wijs uit wordt, ik lijd alle kwellingen van de hel.”

De uitvoering ging niet door, maar Berlioz had genoeg van zijn Mis gehoord, om te weten dat die zelf ook niet smetvrij was. Hij vond de stijl, 'met zijn ongelijke en in zekere zin toevallige kleuring', een onhandige imitatie van die van zijn leraar, Jean-Francois Le Sueur. Berlioz besloot het werk geheel opnieuw te componeren en eigenhandig alle partijen uit te schrijven.

Een jaar later, op 10 juli 1825, werd de Messe solennelle eindelijk uitgevoerd. Het publiek was enthousiast, Le Sueur voorspelde hem een grote toekomst als componist, de critici waren lovend en Berlioz hoorde voor de allereerste keer zijn eigen muziek echt gespeeld. Die overweldigende ervaring zal zijn gehoor hebben vertroebeld. Want na de tweede uitvoering in 1827, nu onder leiding van Berlioz zelf, wees de componist zijn 'jeugdzonde' alsnog af. Alleen het Resurrexit kon aanvankelijk zijn goedkeuring wegdragen. Later ontkwam ook dat deel niet aan het kritische oordeel van zijn schepper.

Berlioz nam geen halve maatregelen. Hij verbrandde de Messe Solennelle - althans zo beweerde hij in zijn memoires - samen met een muziekdrama (Beverly ou le Joueur), een opera (Estelle) en zelfs een zojuist voltooid oratorium (Passage de la mer Rouge). Berlioz schreef: “Een koele, inquisitoire blik had mij duidelijk gemaakt dat het ontegenzeggelijk recht had op een plaats in dit auto-da-fe.”

Orgelkast

Bijna honderzeventig jaar later, in 1991, was de Belgische koordirigent Frans Moors aan het scharrelen in de orgelkast van de Antwerpse St. Carolus Borromeus kerk. Hij hoopte een graantje mee te pikken van het Mozart-jaar. Wie weet lag er tussen de stapel oude partituren nog wel een vroege druk van een Mozart-mis. Onverwacht stuitte hij op een manuscript met het opschrift 'Messe Solennelle A Grand Orchestre et a Gds Choeurs Obliges Par H. Berlioz, Eleve de M. Lesueur.' Ene A. Bessems had er in 1835 aan toegevoegd dat hij dit manuscript had gekregen van de componist als een herinnering aan hun vriendschap.

Onderzoek wees uit dat de Belgische violist Bessems in Parijs studeerde en waarschijnlijk in 1827 had meegespeeld bij de tweede uitvoering van de Messe Solennelle. Of de componist zijn partituur uit vriendschap afstond is de vraag. Berlioz was een pragmaticus in voortdurende geldnood. Wellicht betaalde hij Bessems zo voor zijn bijdrage aan de uitvoering in 1827.

We zitten dus opgescheept met een compleet werk, in de definitieve versie, van een componist die erg in de mode is - nota bene zijn eerste grote compositie. Maar het is helaas een werk waarvan de meester zelf, na enig wikken en wegen, besloot dat het niet goed genoeg was om uit te voeren. Dat is lastig luisteren. Wie eenmaal het stadium van de voyeuristische nieuwsgierigheid voorbij is, hoort muziek waarin de volwassen Berlioz zich aankondigt. Er zijn verwijzingen naar later werk - soms letterlijk, zoals het thema van het Gratias dat in de Symphonie fantastique wordt geciteerd. En je hoort al de grilligheid, de brutaliteit en de heerlijk smachtende violen. Maar allemaal nog wat pril. En de grilligheid lijkt soms nog veel op onhandigheid, de brutaliteit op onzekerheid.

Wat moeten we er nu verder mee?

Deze vraag is, merkwaardig genoeg, door niemand gesteld. In tegendeel. De cd met de world premiere recording ligt al in de winkel, uitgevoerd door niemand minder dan authenticiteitsleeuw John Eliot Gardiner, met zijn Monteverdi Choir en het Orchestre Revolutionnaire et Romantique. En anderen staan te popelen om het eveneens uit te voeren - de Nederlandse premiere is dit weekend.

Is dat terecht? Je zou zeggen van wel, dan had Berlioz het werk maar echt aan de vlammen moeten prijsgegeven. Is het feit dat hij dat niet heeft gedaan, geen bewijs van twijfel over zijn eigen harde oordeel? Maar dat is interpretatie. Berlioz vond het overduidelijk een zwak werk, dat is zeker, in ieder geval slecht genoeg om er zijn schulden mee af te lossen.

Het is opvallend dat uitgerekend een man uit de oude-muziekpraktijk de eerste uitvoering gaf. Gardiner gebruikt oude instrumenten om de muziek optimaal tot zijn historische recht te laten komen. Hij schermt met begrippen als 'verantwoord' en 'authentiek'. Hij zoekt naar historische plaatsen om de muziek in de juiste context uit te voeren en duikt in de geschiedenis om de intenties van de meester zo dicht mogelijk te benaderen. De woorden van de componist zijn wet, behalve als het even niet uitkomt.