Op stal

Het kleinste kalfje is ontzettend klein, een stel botten waarover in de gauwigheid een huid is heen gegooid. Het wankelt als de kop beweegt. “Dat is er eentje van een vaars”, zegt Cees. “Ik heb erover gedacht om 'm weg te doen. Maar ja, je krijgt er ook niks voor, zo'n mager ding.”

Dit is geen mededeling over geld, dit is een mededeling over het hanteren van argumenten als je er een hekel aan hebt om je vee van de hand te doen.

We steken van het schuurtje over naar de stal, zo'n stal waar koeien tussen palen staan; ze hebben zelfs hun horens nog. Ze onderbreken het gesprek zodra je binnenkomt. Ze kijken terug. Allemaal blaarkoppen: een vlek vergroot hun oog en dekt het tevens toe. Ze zijn beleefd, ze trekken een gezicht alsof je absoluut niet stoort.

Op de balk, die uitgedroogd en zwaar gespleten is, staat boven elke plaats met krijt de dag waarop een kalfje werd of wordt verwacht, of bij een enkeling een kruis - daar is de stier mislukt.

Ze malen met hun kaken, ze snuiven uit hun neus, ze boeren uit hun keel en rammelen met kettingen. Er circuleert een geur van oeroud hout, een zoldering met stro. Het licht is stoffig - knip het in stroken en je kunt het voor het raam hangen. En in hun midden zit een kat, gespannen als een tijger bij een schotel melk.

    • Koos van Zomeren