Op de zandplaat huilden de zeehondebaby's

Gregor woont op de dertiende verdieping van een flatgebouw. In zijn huis hangen overal foto's van zijn geboorte-eiland.

Het eenzame eiland ligt ver weg in de zee, ter hoogte van Schotland. Op de foto's zie je steile rotskusten van het eiland. Hoog in de rotsen nestelen de meeuwen en in de diepte kolkt de oceaan. De huizen op het eiland zijn armoedige hutjes met daken van golfplaat. Ze stoken daar nog turf die bij de hutten ligt opgestapeld. De mensen van het eiland maken mooie stapels van de turf. De stukken turf liggen naast en op elkaar als stenen in een gemetseld muurtje. De rookpluimpjes die uit de schoorstenen komen, kringelen niet gezellig omhoog; de rook slaat neer en de grauwe rookslierten hangen laag boven het land.

De laagvlakten van het eiland zijn kaal en liggen bezaaid met stenen. Er grazen schapen die van miezerige struikjes vreten. De vrouwen dragen er vaak zwarte jurken en zwarte, gebreide omslagdoeken. Op de foto's zitten ze in halfdonkere huiskamers met kleine, ijzeren brilletjes op hun neus. Daardoor turen ze naar een spinnewiel of een weefgetouw.

Toen ik alle foto's bekeken had, zei ik tegen Gregor: “Je bent zeker wel blij dat je weg bent van het eiland en nu in Nederland woont.” Gregor keek me verbaasd aan. “Waarom denk je dat?” vroeg hij. “Het lijkt me niks leuk om op zo'n somber eiland te wonen. Overal liggen stenen en het is er zo stil en verlaten,” zei ik. “Het is er juist nooit stil,” zei Gregor. “Overal op het eiland hoor je geluiden. De wind is de ergste druktemaker. Of je nu bij de oceaan bent of op de rotsen staat of over de laagvlakte loopt, altijd hoor je de wind. De wind loeit en de wind giert en de wind zucht. En overal hoor je de meeuwen krijsen. En op de zandplaat hoor je de zeehondebaby's huilen. En de zeehonden-moeders liggen daar alsmaar te kuchen. Maar de mensen van het eiland zeggen niet veel. Die zijn veel stiller dan de dieren. Toen ik een jongen was, had ik veel vrienden onder de dieren en mijn allerbeste vriend was Bonnie,” zei Gregor.

“Wie is Bonnie?” vroeg ik. “Een zeehond,” zei Gregor. Gregor vertelde dat er vroeger weinig jongens van zijn leeftijd bij hem in de buurt woonden. Hij had niemand om mee te spelen en daarom klauterde hij vaak over de rotsen om meeuwe-eieren te zoeken. Hij kende de rotskust zo goed dat hij ook wist waar je veilig kon afdalen naar de oceaan. Op een van zijn tochten ontdekte Gregor een jonge zeehond die dicht bij het water op een rots in de zon lag. Zijn pels had de kleur van zand en had een zilverachtige glans. Toen Gregor naderde, dook de jonge zeehond in de schuimkraag van een golf die net zo zilverachtig was als de glans op de zeehondepels. Gregor wachtte en na een tijdje zag hij de zeehond weer uit zee opduiken en naar hem kijken. Zeehonden zijn erg nieuwsgierig en jonge zeehonden helemaal, zegt Gregor.

Gregor wilde goede maatjes met de jonge zeehond worden. Thuisgekomen pakte hij zijn hengel om in de haven te gaan vissen en toen hij een vis gevangen had, keerde hij terug naar de plek waar hij de jonge zeehond had gezien. De zeehond was er nog en Gregor wierp hem de vis toe. De jonge zeehond slokte de vis op en verdween weer. In de zee rond het eiland is het altijd steenkoud maar midden in de zomer is het water in de haven soms wat warmer, zegt Gregor. Toen Gregor een keer in de zomer in de haven zwom, zag hij de jonge zeehond daar ook rondzwemmen. De zeehond kwam op Gregor af, zwom een paar keer om hem heen en zwom daarna met hem mee. Die zomer werden Gregor en de jonge zeehond vriendjes.

Gregor had nog een vriend op het eiland. Het was klimgeit die hij Peer had genoemd. Gregor kon beter klimmen dan de klimgeit. En toen ze weer eens samen over de rotskust klauterden, viel Peer in de oceaan waar hij verdronk. Een paar dagen later zag Gregor Peer langs de kust drijven. De dode klimgeit deinde op de golven. Aan zijn vacht hingen wieren en zijn buik was helemaal opgezwollen. Boven de geit cirkelden meeuwen, die op hem afdoken en naar zijn ogen pikten. Gregor gooide stenen naar de meeuwen maar ze lieten zich niet wegjagen. Tenslotte hield Gregor op met stenen gooien. Hij ging op op een rots zitten en huilde.

“Je hebt zeker een hekel aan meeuwen gekregen,” zei ik tegen Gregor. “Ik neem het ze niet kwalijk, meeuwen zijn meeuwen,” zei Gregor. “En meeuwen zeilen zo mooi op de wind. Als het waait, laat ik wel eens vellen krantepapier los op het balkon. Als ik de wind weer zo hoor zuchten en de kranten als papieren vogels langs de flats omlaag zie scheren, denk ik altijd aan het eiland en aan Bonnie en Peer.”