Koude douche

Het openbaar ministerie in Amsterdam heeft het grotendeels aan zichzelf te danken dat met de vrijspraak van de drie verdachten in de HCS-zaak de justitiële strijd tegen misbruik van voorwetenschap ernstige averij heeft opgelopen. In zijn vonnis velt de rechtbank in Amsterdam impliciet een vernietigend oordeel over het werk van het openbaar ministerie.

Na bijna drie jaar onderzoek van achtereenvolgens de Amsterdamse beurs, de Economische Controledienst en de rechter-commissaris moet de vrijspraak in het eerste echte Nederlandse voorkennisproces voor het openbaar ministerie een kater zijn. Het was de laatste fraudezaak van officier van justitie mr W. van Nierop; geen finest hour maar een koude douche. Tot overmaat van ramp brengt de volledige vrijspraak een substantiële schadeclaim van Van den Nieuwenhuyzen een stap dichterbij. Pijnlijk voor het OM is dat vooral het juridische gehalte van de aanklacht in het vonnis onder vuur komt. De rechtbank sluit daarbij aan op het fundamentele juridische betoog waarmee de raadsman van Albada Jelgersma, de 28-jarige mr. D.R. Doorenbos, twee weken geleden het requisitoir van de officier ondermijnde.

De enige winst van drie dagen zittingen is daarmee dat beter is gedefinieerd wat misbruik van voorwetenschap nu eigenlijk is. Dat is een schrale troost. Het openbaar ministerie zou hetzelfde resultaat hebben kunnen bereiken, als zij een andere vervolgingsstrategie had gebruikt. Handel met voorwetenschap op de beurs is sinds vijf jaar strafbaar. Het OM heeft er echter voor gekozen de recht-toe-recht-aan zaken te seponeren. Daarbij ging het om klassieke gevallen, zoals de directeur die aandelen in zijn eigen bedrijf koopt tijdens onderhandelingen over een overname. In plaats van deze stapsgewijze aanpak, koos het OM voor een spektakelstuk als proefproces. De HCS-zaak was vanwege de complexiteit bij voorbaat een a-typisch geval: handel in aandelen na een reddingsactie tijdens een gecompliceerde nachtelijke reddingsactie waaraan verschillende banken en de drie beleggers deelnamen.

De rechtbank geeft met zijn uitgebreide toelichting in zijn eerste vonnis in elk geval het belang van de bestrijding van voorkennis aan. In twee etappes slaat het vonnis vervolgens de bodem onder de tenlastelegging van het OM weg. Volgens officier van justitie Van Nierop was er tijdens het overleg over de reddingsactie sprake van een (stilzwijgende) geheimhoudingsplicht over de details van de emissie. Gezien hun informatievoorsprong hadden de beleggers niet mogen handelen. Dat ziet de rechter anders. Koeltjes stellen de rechters vast dat verklaringen van de aanwezigen er op wijzen dat er geen afspraken waren gemaakt over geheimhouding. Alleen al op die grond zouden de verdachten vrij worden gesproken.

Ook andere zwaarwegende aantijgingen wijst de rechter van de hand. Het OM meende dat voor misbruik van voorwetenschap niet noodzakelijk is dat de insider een idee heeft van het toekomstige koersverloop. Onzin, zo blijkt uit het vonnis. Iemand kan alleen misbruik maken van voorkennis als hij beschikt over gegevens “waarvan de ervaring leert dat de openbaarmaking daarvan een duidelijk merkbaar effect op het koersverloop heeft”. De grootaandeelhouders en de banken konden volgens de rechtbank ondanks hun vergaande kennis over de emissie niet voorspellen hoe de koers op die informatie zou reageren. De een dacht dat de koers van vier gulden naar misschien wel tien gulden zou gaan, de ander naar een of twee gulden.

De vrijspraak betekent niet dat het OM onvoldoende wettelijke instrumenten ter beschikking staan om beursfraude aan te pakken. Integendeel, uit het vonnis blijkt dat de Nederlandse wetgeving helder is gedefinieerd, al is de opeenstapeling van normen volgens het vonnis stringenter dan bijvoorbeeld in Groot-Brittannië. Het geringe aantal veroordelingen is evenmin een exclusief Nederlands probleem. Ook in de VS en Groot-Brittannië, landen met een langere geschiedenis van voorkennis vervolging, kampen met een lage pakkans.

De keuze van de voorkenniszaak en de combinatie van ervaring en kwaliteit in het justitiële onderzoek zijn cruciale voorwaarden voor succesvolle vervolging. De snelle roulatie - na een periode van drie jaar - van officieren op een gespecialiseerd terrein als financiële fraude frustreert de strijd tegen misbruik van voorwetenschap.