Klein land moet niet teveel grote plannen maken

Nederland blijft moeite hebben met zijn relatie tot de oosterburen. Aan de goede bedoelingen van plannen tot diplomatieke en strategische samenwerking hoeft niet te worden getwijfeld, maar de vraag is of ze ook effect hebben. Ben Knapen bepleit in plaats van de 'grand designs' het leggen van goede contacten met Duitse parlementariërs.

Er verschijnen de laatste jaren herhaaldelijk aanbevelingen om Nederland nauwer met Duitsland te laten samenwerken. In twee rapporten van de Adviesraad Vrede en Veiligheid gebeurde dat en ook in Kamerdebatten is het al een paar keer aangestipt, onder meer door het CDA-Kamerlid De Hoop Scheffer.

Meer samenwerking met Duitsland - het is een voor de hand liggend recept nu Duitsland zo'n centrale ligging en functie in Europa heeft gekregen en het westelijke buurland Nederland kan helpen bij het slaan van een nieuw soort brug naar de Atlantische wereld. Aan de academische analyse en de politieke juistheid van zulke aanbevelingen hoeft dan ook niet te worden getwijfeld en het laatste rapport van de Adviesraad 'Duitsland als partner' getuigt van die helderheid. Er valt eigenlijk weinig tegenin te brengen.

Toch hebben zulke rapporten iets onbevredigends in hun helderheid en vanzelfsprekendheid. De aanbevelingen ademen de geest van de buitenlands-politieke tekentafel. Het klopt allemaal wel, maar het komt op een of andere manier niet tot leven. Want wat betekent het precies om meer partner van Duitsland te worden en hoe moet dat?

Meer partner van Duitsland betekent minder partner van andere landen. Dat staat natuurlijk niet in zulke rapporten en dat hoeft misschien ook niet zo zichtbaar, maar dat is wel logisch. Tenzij iedereen meer partner van elkaar wordt maar dan hoeft Nederland zich niet meer zo nodig speciaal op Duitsland te richten. Dan komt het immers met de harmonie der volkeren ook zonder Nederland wel in orde.

En dan is er het gewicht van Nederland. Dat moet bij zo'n aanbeveling worden verdisconteerd en op papier gebeurt dat ook in het jongste advies wel, bijvoorbeeld in tussenzinnen waar wordt vastgesteld dat “de invloed van Nederland op Duitsland niet mag worden overschat”. Maar zulke tussenzinnen hebben toch vooral een alibi-functie om vervolgens weer gewoon verder te redeneren alsof het om betrekkingen tussen twee vergelijkbare soevereine staten gaat.

Dat is niet zo. Duitsland kent negen buurlanden en om allerlei redenen zijn er voor Duitsland zeker vier met wie de contacten belangrijker, spannender of in elk geval intensiever zijn. Omsingeld als Duitsland tegenwoordig is door bevriende mogendheden, is er van de vier belangrijke eigenlijk maar één - Frankrijk - dat zich nog meer dan Nederland geroepen voelt om Duitsland op een of andere manier te verankeren. De Fransen zoeken vooral de verankering van Duitsland in Europa, met andere woorden zij zoeken naar een partnerschap, waarbij Parijs nog zoveel mogelijk redt van de invloed die het tijdens de Koude Oorlog op Duitsland had. Nederland zoekt het met de verankering wat meer in de Europees-Atlantische mengvorm. Nederland zou volgens de Adviesraad de mogelijkheden moeten verkennen om samen met Duitsland initiatieven te nemen “die ertoe kunnen bijdragen dat in de Bondsrepubliek in de toekomst een voldoende draagvlak voor het doel van Europese integratie en voor de Atlantische samenwerking blijft bestaan”.

Alweer, daar is niets op tegen, ook al is deze doelstelling niet vrij van zelfprojectie. De vraag is alleen of iemand daar in Duitsland werkelijk een boodschap aan heeft en zo ja, of de invloed van Nederland daar werkelijk een verschil maakt. Zelfs Frankrijk heeft het al moeilijk genoeg en moet de laatste jaren soms behoorlijk fors tegen het Duitse scheenbeen schoppen om daar nog enige schrik teweeg te brengen. Tot hun eigen schrik merken de Fransen dat vanuit Duitsland recentelijk al een paar keer gewoon doodnormaal werd teruggeschopt. En dan gaat het hier nog om een bilaterale relatie die door Duitsland én Frankrijk gelijkelijk van onschatbare waarde wordt geacht.

Nu is het vrij eenvoudig om met gezaghebbende Duitsers te spreken en uit hun mond op te tekenen hoeveel waarde zij hechten aan een goede Nederlands-Duitse relatie. Zulke uitlatingen zijn ongetwijfeld oprecht en tegelijkertijd een vorm van hoffelijkheid. Want eerlijk zeggen waar het op staat, is in de internationale betrekkingen normaliter een hebbelijkheid die voornamelijk tot Nederlanders beperkt blijft, zoals J.L. Heldring nog niet zo lang geleden vaststelde.

Dat betekent overigens niet dat Nederland zich in onbeduidendheid moet wegcijferen. Maar men zou misschien meer bereiken wanneer men wat minder hoog greep. Grand designs van internationale evenwichten construeren en Nederland daarin ten opzichte van Duitsland een plaats geven - dat is simpelweg wat hoog gegrepen ook al is de gulden nog zo hard, het bruto nationaal produkt nog zo groot en voelt Nederland zichzelf nog zozeer de grootste van de kleine EG-landen. Ook de verregaande militaire integratie tussen Nederland en Duitsland, die nu wordt gepraktizeerd, is nog te weinig om dat doel te bereiken. Wat dat betreft ligt het risico van teleurstellingen alweer op de loer.

Politieke beïnvloeding is voor een klein land een kwestie van kennis van zaken en passie, veel minder van volkenrechtelijke of fysieke mechanica. Zo stelt de Adviesraad voor om voortaan jaarlijks een bijeenkomst tussen Nederlandse en Duitse parlementariërs te organiseren om eenvoudigweg een betere verbinding tussen de politieke centra tot stand te brengen. Dat is een uitstekend idee. Vergelijkbare contacten bestaan er tussen Duitse en Franse en Duitse en Britse parlementariërs. Elke parlementariër die naar de telefoon kan grijpen om een collega in een ander land te consulteren om vervolgens een vertrouwde stem aan de andere kant van de lijn te horen, is in Europa pure winst. Probleem is alleen dat wederom de vraag blijft: hoeveel Bondsdagleden van betekenis zijn in zo'n onderneming serieus geïnteresseerd?

Natuurlijk, het is de moeite van het proberen meer dan waard, maar wat zou er eigenlijk op tegen zijn om zulke contacten op te bouwen met parlementariërs in de aangrenzende deelstaat Noordrijn-Westfalen? Volkenrechtelijk misschien wat krom, want Noordrijn-Westfalen is een deelstaat en Nederland niet. Maar de deelstaat alleen is al groter dan Nederland, heeft vrij veel invloed op de politieke gang van zaken in het federale Duitsland en een belangrijke stem in allerlei kwesties die de Nederlands-Duitse betrekkingen aangaan en wat platonischer van aard zijn - van Betuwelijn en schone Rijn tot een EG-bureau toe.

Het gemis aan simpele contacten wreekt zich. Neem het voorbeeld van Fokker en Dasa, waarbij een Nederlandse minister zich ten slotte in nachtelijke onderhandelingstaferelen terugvond met een Duitse onderdirecteur van het Daimler-Benz-concern. Hoe jammer is het dan wanneer Nederlandse christen-democraten niemand kennen in de Beierse christen-democratie. Een Dasa-directeur is namelijk goeddeels afhankelijk van de Beierse politiek en dus van de CSU. Via de lijn CSU en Bonn wordt gezorgd voor de staatsopdrachten aan Dasa en daar leeft het concern in eerste instantie van. Een rustige bilaterale regie tussen politieke vrienden had Fokker ongetwijfeld goed gedaan, maar de realiteit is dat geen enkele Nederlandse christen-democraat van betekenis een Beierse partijgenoot kent, laat staan: voldoende kent. Bij andere partijen is het overigens niet beter, eerder slechter.

Nu is het zo langzamerhand genoegzaam bekend hoe het komt dat Nederland enigszins met de rug naar Duitsland woont. En rapporten als 'Duitsland als partner' hebben, ook al zit er weinig vlees en bloed in, alleen al een nuttige functie om het denken erover gaande te houden. De moeilijkheid is en blijft alleen dat het uitgangspunt zo kwestieus is: als Nederland de Duitse integratie in Europa wil bevorderen dan kan het even gemakkelijk een rapport schrijven getiteld 'Frankrijk als partner' en als Nederland de Atlantische brug wil vormen dan zou een rapport 'Groot-Brittannië als partner' of 'de Verenigde staten als partner' ook niet misstaan. En als Nederland dat allemaal tegelijk wil dan zou ook een rapport 'Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië als partner' tot de mogelijkheden behoren. Of als Nederland wat meer gewicht in de Europese schaal zou willen leggen, kan ook 'België als partner' uitkomst bieden. Maar ja, de Belgen zijn, om een prominente Duitser te citeren, precies omgekeerd aan de Nederlanders, namelijk op “aangename wijze onserieus”.

Als dat allemaal te hoog gegrepen is - en dat is het - dan zou men buitenlandse politiek versus het buurland Duitsland misschien in wat praktischer termen kunnen vertalen: kennis, contact en betrokkenheid teneinde elkaar meer voordeel dan nadeel te bezorgen. Dat is al heel wat voor een klein land naast een grote buur.

    • Ben Knapen